RFO Geschiedenis 2002

Edo de Waart dirigeert Nederlandse première van Daphne

De Matinee op de Vrije Zaterdag bracht op 23 februari 2002 de Nederlandse première van de opera Daphne van Richard Strauss, die in Dresden al in 1938 voor het eerst werd uitgevoerd. In het Concertgebouw te Amsterdam was de eenakter te beluisteren in concertante vorm. Het RFO, het GOK en de vele solisten werden geleid door Edo de Waart.

Peter van der Lint schreef in Trouw: “Daphne is beslist niet Strauss’ beste werk. In de idyllische muziek rondom de boomnimf Daphne, die uiteindelijk in een laurierboompje wordt veranderd, is geen spoor terug te vinden van de zwarte schaduwen in de wereldpolitiek. Eigenlijk onbegrijpelijk dat een componist als Strauss zich als kunstenaar zo kon (of wilde) afsluiten voor de boze buitenwereld. Edo de Waart leidde het Radio Filharmonisch Orkest Holland zeer soepel en soeverein door Strauss’ partituur. De heftige momenten klonken stoer en gespierd, maar opvallend waren eerder de lyrische gedeelten. Vooral het einde met de door Strauss schitterend instrumentaal uitgewerkte metamorfose van Daphne werd onder De Waarts handen een toonbeeld van innige luciditeit.”

Paul Janssen toonde zich in Het Parool minder enthousiast: ”De momenten die er werkelijk toe doen zijn schaars. Het is daarom ook niet zo gek dat deze ‘bucolische tragedie’ zo lang op een Nederlandse première moest wachten. Niet alleen schreef Strauss zijn Daphne in een periode waarin hij zich makkelijk voor de kar van de nazi’s liet spannen, ook muzikaal en dramatisch zijn er genoeg redenen te bedenken. De muziek is te veel en te vaak te schreeuwerig, te overdadig en te oninteressant om de volle anderhalf uur te boeien. De soms kundige instrumentatie was niet genoeg voor Edo de Waart, het Radio Filharmonisch Orkest Holland en de mannen van het Groot Omroepkoor om met volle overtuiging de boodschap over te brengen. Of meer repetitie daar verandering in had kunnen brengen valt te betwijfelen.”

 

Hans Zender dirigeert eigen werk

Het Radio Filharmonisch Orkest Holland en het GOK stonden op 16 maart 2002 in de Matinee op de Vrije Zaterdag te Amsterdam onder leiding van de Duitse dirigent-componist Hans Zender, die een interessant programma had samengesteld met twee premières voor Nederland:

Giacinto Scelsi (1905-1988) - Konx Om Pax voor koor, orgel en orkest (1969)
Organist: Nick van de Meij. Nederlandse première

Hans Zender (1936) - Lo Jadatti – Ich erkenne nicht  voor sopraan, tenor, fluit, trombone, synthesizer, koor, orkest en solisten (1995). Julie Moffat – sopraan, Peter Vincent – tenor, Carla Meijers – fluit, Uwe Dierksen – trombone en Christoph Grund – synthesizer. Nederlandse première

Franz Schubert (1797-1828) - Zesde Symfonie in C gr.terts, D 589 (1817-1818)

Clemens Romijn schreef in het programmaboekje: "In 1963 maakte Hans Zender kennis met composities van een Italiaan, die bij het grote publiek tot aan zijn dood onbekend bleef: Giacinto Scelsi. Diens oriëntatie op boeddhisme en andere oosterse denkwijzen en kunstopvattingen boeide Zender en zijn deels ook in zijn eigen composities herkenbaar. Konx Om Pax ('Vrede' in het Assyrisch, Sanskriet en Latijn) is een klanknevel van chromatiek, microtonen en harmonische boventonen, waarbij in het eerste deel de C centraal staat, in het tweede deel de F en in het laatste deel de A. Het drieluik is een quasi-geïmproviseerd mythisch natuurverschijnsel, dat haast onmerkbaar komt opzetten, dan raast en tiert als een onmenselijke oerkracht en uiteindelijk uitklinkt als de wind gaat liggen.

In Zenders Lo Jadatti – Ich erkenne nicht, het derde deel uit Shir Hashirim (het Hooglied), spelen chromatiek en naturalistische toonschilderkunst eveneens een grote rol, maar dan gepland. Een vrouw hoort de roep van haar geliefde en zijn geklop op haar poort, doch wachtte te lang met openen. Hij was al verdergegaan. Zij gaat hem zoeken, smeekt ook de ‘dochters van Jeruzalem’ haar geliefde te vinden en geeft een opsomming van zijn schoonheid. Zenders muziek maakt echter duidelijk dat de geliefden elkaar voorlopig niet zullen vinden. In de tekst van het Hooglied herkende Zender een vrije rondovorm met terugkerende refreinen en daartussen variabele teksten. Hij zag hierin een bevestiging van de moderne chaostheorie, namelijk de werkelijkheid gezien als hopelijk door mensen enigszins beheerste wanorde. Dat gaf hem de kans tot muzikale ontsnappingen en onverwachtse wendingen.

Met Zenders keuze voor Franz Schubert, zijn absolute favoriet, ontstond een programma van extremen. Als componist instrumenteerde hij al Die Winterreise, en als dirigent komt hij op voor de weinig gespeelde Zesde Symfonie, ook wel ‘de kleine in C’ genoemd. Schubert bouwde hierin een lange spanningsboog: ontwikkeling, wording, drama en conflict, sinds de oude Grieken eigen aan de westerse beschaving en kunst."

Speciale vermelding verdient RFO-fluitiste Carla Meijers, die op korte termijn bereid was in Zenders compositie de veeleisende solopartij over te nemen van Roswitha Staege.

 

Sterk debuut Markus Stenz met opera The Bassarids

De Matinee op de Vrije Zaterdag presenteerde in het seizoen 2001/’02 een vijfdelig retrospectief op het oeuvre van de vijfenzeventigjarige Duitse componist Hans Werner Henze (foto). De afsluiting van deze serie vond plaats op 13 april 2002. Op het programma stond de overdonderende, exuberante opera The Bassarids (1965, gereviseerd in 1992), die in aanwezigheid van de componist zijn Nederlandse première beleefde. De Duitse gastdirigent Markus Stenz, die een grote affiniteit heeft met het werk van Henze en al veel van diens orkestwerken en opera’s dirigeerde, debuteerde deze middag bij het RFO. Het orkest trad aan in een Mahleriaans grote bezetting, inclusief negen slagwerkers, gitaar en mandolines. De opera werd gezongen in de oorspronkelijke Engelse versie door het GOK en acht solisten, waaronder de sopranen Juliana Gondek en Anja Silja en de bariton Mark Holland.

In het classicistische libretto van W.H. Auden en Chester Kallman (naar Euripides’ Bacchanten) verbiedt de jonge Thebaanse koning Pentheus de Dionysos-cultus en veroorzaakt daarmee zijn eigen gruwelijke ondergang. De vorm waarin Henze het drama goot mag eveneens classicistisch worden genoemd: The Bassarids bestaat uit vier doorgecomponeerde symfonische delen, die in hun opbouw klassieke muzikale modellen volgen.

Volgens Telegraaf-recensent Eddie Vetter kreeg de opera een opvallend sterke uitvoering onder leiding van Henze-specialist Markus Stenz: “Het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor klonken buitengewoon geïnspireerd, zodat de meeste luisteraars ook echt meegesleurd konden worden in de soms gevaarlijk hoge golven van de muziek.” Mischa Spel noteerde in NRC Handelsblad: “De bekoringen van de Bacchantische levensstijl werden door het Radio Filharmonisch Orkest bepleit met oortuitend orgiastisch geraas, beukende pauken, tetterend koper en feilloze ritmische precisie – met totaal ruim tien weglopers als gevolg. Maar ook zwevende breekbaarheid en vertwijfeling hebben een plaats in The Bassarids, zoals mede hoorbaar werd in de roezig bedwelmende koorscènes, fantastisch gezongen door het Groot Omroepkoor.” In Trouw bepleitte Anthony Fiumara een scenische versie van The Bassarids bij De Nederlandse Opera. Hoewel Henze, toen hem in de dirigentenkamer van het Concertgebouw na afloop van het concert werd gevraagd of hij het scenische aspect had gemist, welgemeend zou hebben geantwoord: “Not a bit!”

 

Les vêpres siciliennes met Olmi en Miricioiú

Op 22 juni 2002 sloot de Matinee op de Vrije Zaterdag haar operaserie van dat seizoen af met een Nederlandse primeur. Verdi’s opera I Vespri Siciliani was weliswaar al eerder in Nederland te horen, maar dan in het Italiaans gezongen en met de nodige coupures. Op deze middag klonk echter Les vêpres siciliennes, de oorspronkelijke Parijse versie uit 1855, waarin geen van Verdi’s noten werd verspild. Een echte ‘grand-opéra’ in vijf akten, inclusief het verplichte ballet in de derde akte, alles bij elkaar goed voor bijna vier uur enerverende muziek.

Het RFO, het GOK en het Leipziger Opernchor stonden onder leiding van de Italiaanse dirigent Paolo Olmi, die op korte termijn inviel voor zijn door ziekte gevelde landgenoot Paolo Carignani. Onder de solisten bevonden zich Hao Jiang Tian, Zeljko Lucic, Francisco Casanova, Margriet van Reisen en de ‘grande dame van de Matinee’: Nelly Miricioiú (zie foto). Het werd weer een operamatinee als vanouds, met een uitverkochte zaal en een tien minuten durende ovatie van een laaiend enthousiast publiek. De pers sloot zich hier unaniem bij aan met krantenkoppen als ‘Passie en vuur in ouderwetse Matinee’, ‘Miricioiú en Olmi triomferen’ en ‘Miricioiú & Co zetten Grote Zaal weer op z’n kop’. Uiteraard veel bewondering voor de solisten en voor publiekslieveling Miricioú in het bijzonder, maar ook de beide koren, het orkest en dirigent oogstten veel lof.
Eddie Vetter oordeelde in de Telegraaf: “ Het Radio Filharmonisch Orkest maakte de balletmuziek tot een waar feest, met prachtige blazerssoli en een spectaculaire versnellingen in de finale van ‘L’autunno’, waar Verdi’s extravagante metronoomaanduiding zelfs werd overtroffen. Het orkest, het Groot Omroepkoor en het Opernchor Leipzig omhulden de zangers als een warme deken.”
In NRC Handelsblad besloot Mischa Spel haar recensie met: “Maar uiteindelijk was het het geheel der delen dat van Les vêpres siciliennes een écht spektakel maakte. Net als de twee ook in de zachtste passages spatgelijk en loepzuiver zingende koren, reageerde het Radio Filharmonisch Orkest Holland (mét door Berlioz ingefluisterde exotica als een basklarinet) hoorbaar enthousiast op de energieke gebaren van Olmi. Met zijn effectvolle diminuendi, vertragingen, adempauzes en brute climaxen liet hij Verdi ook in zijn Franse gedaante op zijn aller-Italiaanst schitteren.”

Overigens grepen de meeste recensenten deze gelegenheid ook aan om gewag te maken van kibbelende omroepen over het voortbestaan van de Matinee op de Vrije Zaterdag. In de volksmond sprak men nog altijd hardnekkig van de VARA-Matinee, voorbijgaand aan het feit dat ook de NPS en de VPRO al jaren lang medefinanciers waren van deze prestigieuze concertserie. De VPRO had echter aangekondigd zich terug te trekken en ook andere geldpotjes droogden op. De AVRO en de TROS boden vervolgens aan om de Matinee samen met de NPS over te nemen, maar de VARA weigerde met deze omroepen samen te werken. “Het heeft allemaal met omroeppolitiek te maken”, aldus artistiek leider Jan Zekveld, “een zo groot mogelijk draagvlak bij de omroepen zou natuurlijk de beste oplossing zijn”.

 

De zaak Makropoulos bij het RFO en De Nederlandse Opera

Tussen 31 augustus en 24 september 2002 verzorgde het RFO onder leiding van Edo de Waart bij De Nederlandse Opera negen uitvoeringen van de opera De zaak Makropoulos van Leos Janácek. Het bizarre verhaal onthult het geheim van operadiva Emilia Marty, die 337 jaar geleden als Elina Makropoulos een levenselixer innam dat haar vader had uitgevonden. Zij leefde sindsdien onder verschillende namen, maar steeds met de initialen E.M. Het wondermiddel zou nu opnieuw ingenomen moeten worden, maar Emilia Marty wil niet meer en schenkt de formule aan de jonge zangeres Kristina, die het document verbrandt.

Het RFO had De Zaak al in 2000 concertant uitgevoerd in de Matinee op de Vrije Zaterdag onder leiding van Ingo Metzmacher en met de niet meer zo piepjonge Anja Silja (zie foto) in de hoofdrol. Bij DNO werd de rol nu gezongen door Kristine Ciesinski, die plotseling voor Angela Denoke ingesprongen was.

In NRC Handelsblad schreef Mischa Spel: “Edo de Waart en het Radio Filharmonisch Orkest raakten bij de Nederlandse Opera eerder – en hoorbaar! - vertrouwd met Janáceks idioom in producties van Jenufa (1997) en Kát’a Kabanová (2000) en realiseren hier een ronkend dramatische orkestklank. De Waart benadert de langademige melodische invallen pulserend, zet de korte en pregnante motieven krachtig aan, maar treft ook een kamermuzikale intimiteit in de begeleidingen van de zanglijnen. Naast Kristine Ciesinksi maakt ook sopraan Alison Hagley met haar stralende stem grote indruk als de jonge zangeres Kristina.” Erik Voermans signaleerde in Het Parool: “In de bak verklankt het Radio Filharmonisch Orkest onder Edo de Waart Janáceks woeden der wereld met veel overtuiging en daadkracht. Wat een groot compliment is bij een partituur die niemand iets kado geeft.”

 

Edo de Waart dirigeert Die Liebe der Danae

Na de Nederlandse première van Richard Strauss’ eenakter Daphne in het vorige seizoen van de Matinee op de Vrije Zaterdag, openden het RFO, het GOK en het koor van de Staatsoper Dresden onder Edo de Waart in het Amsterdamse Concertgebouw op 12 oktober 2002 de nieuwe operaserie met een concertante uitvoering van een andere late Strauss-opera: Die Liebe der Danae uit 1940, eveneens een première voor Nederland. In deze ‘vrolijke mythologie’ probeert de Griekse berooide koning Pollux zijn mooie dochter Danae uit te huwelijken aan de rijke koning Midas, maar ook Jupiter toont interesse en zorgt er voor dat Midas weer de ezeldrijver van weleer wordt. Danae kiest toch voor de verarmde Midas. Koning Pollux is nog steeds op zoek naar het grote geld.

De rol van Danae werd vertolkt door Anne Schwanewilms (zie foto), die daarmee haar debuut in de Matinee maakte en na afloop zichtbaar ontroerd werd door de voor haar bedoelde kolossale ovatie. Ook de pers reageerde enthousiast, zoals Mischa Spel (NRC): “De zeer integer zingende Duitse sopraan Anne Schwanewilms bleek als Danae perfect getypecast. Zij weerstond Jupiter en koos voor de goudeerlijke passie van Midas, prima gezongen door Michael Hendrick. De charismatische bariton Peter Coleman-Wright (Jupiter) vervulde zijn dominante rol met veel theatrale autoriteit en muzikale zekerheid. De brede ervaring die Edo de Waart heeft als Strauss-specialist, resulteerde bij het Radio Filharmonisch Orkest in een aansprekende combinatie van precisie, lyriek en recht door zee dramatisch uitpakken in de vele climaxen. Mooie bijdragen waren er ook van het Groot Omroepkoor en het koor van de Staatsoper Dresden”. Peter van der Lint (Trouw): “Anne Schwanewilms verdiende haar tumultueuze slotapplaus volledig. Ze is een echte Strauss-sopraan met een onuitputtelijk reservoir aan hoge tonen en een fabelachtig gevoel voor melodische frasering. Peter Coleman-Wright, een specialist in de rol van Jupiter, leek in Amsterdam nog meer geconditioneerd, en opgestuwd door het hoge niveau van Schwanewilms. [ ….] Maar Danae valt voor Midas, heel goed gezongen door Michael Hendrick, die zij voor geen goud meer wil opgeven. Drie keer laat Strauss Danae aan het slot zingen ‘Sehe, ich liebe’, en bij Schwanewilms klonken die woorden niet alleen gemeend, maar ook elke keer inniger en inniger. De Waart en het RFO begeleidden haar daar met de grootst mogelijke omzichtigheid. Een zangeres en een Matinee om door een ringetje te halen.”

 

John Adams dirigeert El Niño

“ […] Ik denk niet dat er ooit een tijd komt dat dirigeren belangrijker wordt dan componeren. Ik beschouw mezelf vooral als componist. Dirigeren doe ik hooguit 12 à 15 weken per jaar. Maar ik prijs me gelukkig, want ik werk alleen met de allerbeste orkesten. Inclusief jullie orkest, ja!” aldus componist John Adams in een interview dat hij gaf voor het RFO-personeelsblad Informeel, tijdens de voorbereidingen van zijn kerst-oratorium El Niño, dat hij zelf dirigeerde.

De Nederlandse première van dit werk vond plaats in de Matinee op de Vrije Zaterdag van 30 november 2002. John Adams was inmiddels een vertrouwd gezicht in de Matinee. In voorgaande seizoenen beleefden tal van zijn werken met het RFO een Nederlandse première. Voor de focus op Amerikaanse muziek was hij bovendien voor de komende seizoenen aangetrokken als adviseur van programmeur Jan Zekveld. Een lastige opdracht, volgens Adams: “Amerika heeft geen grote traditie op het gebied van orkestmuziek. Ik geloof dat de USA een van de grootste muziekculturen heeft voortgebracht, maar die grootheid ligt vooral op het gebied van populaire muziek, Broadway music, folk music. De echt interessante componisten schreven niet voor het symfonieorkest. Neem bijvoorbeeld Duke Ellington, Steve Reich, John Cage, Philip Glass, Conlon Nancarrow, Lou Harrison… Het merendeel van hun belangrijkste werken is geschreven voor ensembles in allerlei samenstellingen, maar zelden voor het traditionele symfonieorkest.”

De orkestbezetting die Adams koos voor El Niño kan ook niet echt traditioneel worden genoemd met een uitgedunde strijkerssectie, gitaren, sampler en een opvallend aandeel voor harp, celesta, klokken en klokjes. Voor deze productie was dezelfde zangerscast aangetrokken, die twee jaar eerder de (geënsceneerde) wereldpremière in het Parijse Théâtre du Châtelet verzorgde: het vocaal ensemble London Voices, Dawn Upshaw (sopraan), Lorraine Hunt (mezzo), Herbert Perry (bariton) en een opmerkelijk trio van counter-tenoren: Daniel Brubeck, Brian Cummings en Steven Rickards. El Niño vertelt niet alleen het verhaal van de geboorte van Christus, maar ook dat van de geboorte van willekeurig welk kind, met alle stormachtige emoties die daarbij horen. Verzen van de Mexicaanse dichteres Rosario Castellanos, gospelteksten, gedichten van een zeventiende-eeuwse non, en Engelstalige bijbelfragmenten vormen de ingrediënten van het sociaal bewogen libretto, waarin Adams parallellen trekt met het zware bestaan van Latijns-Amerikaanse outcasts uit zijn eigen woonomgeving in Californië.

De Nederlandse première werd gul omhelsd door het Matinee-publiek. Antony Fiumara oordeelde in Trouw: “De uitvoering zaterdag door het Radio Filharmonisch Orkest, London Voices en een keur aan solisten onder leiding van Adams zelf, was er een op het scherpst van de snede. Het orkest klonk fris en transparant, het koor manoeuvreerde kundig tussen verstilling en luid commentaar, en er zat vanaf de adembenemende opening grote vaart in het verloop. Gedragen werd El Niño echter door de protagonisten Dawn Upshaw (sopraan) en Lorraine Hunt Lieberson (mezzo), die Adams' gesmeerd lopende machientje een menselijke gloed gaven. Van Upshaws krachtig gezongen aria A Christmas Star kreeg je kippenvel, net zoals van Liebersons lyrische vertolking van de Castellanos-gedichten...”
In de Volkskrant schreef Jaco Mijnheer: “Het Radio Filharmonisch Orkest, wat stram, maar wel strak gedirigeerd door Adams had plezier met de kraakheldere orkestratie, met weinig strijkers, veel koperblazers, maar ook latino gitaarakkoorden en glinsterende belletjes van slagwerk, harp en piano.” Hij besluit de recensie met: “El Niño heeft het in zich een groot publiek werkelijk aan te spreken. Jaloers op Händels Messiah, het voorbeeld dat hem voor ogen stond, hoeft Adams nauwelijks nog te zijn.”

 

Verder naar 2003    Terug naar het overzicht