RFO Geschiedenis 1999

Edo de Waart in ‘Grote Hartstochten’ te Rotterdam

Het RFO vervolgde zijn concertserie Grote Hartstochten in De Doelen op 8 januari 1999 met chefdirigent Edo de Waart en violist Shlomo Mintz.

    Karol Szymanowski - Vioolconcert nr. 1 opus 35 (1916)
    Gustav Mahler - Symfonie nr. 1 in D ‘Titan’ (1888)

Het Vioolconcert is gebaseerd op het gedicht De meinacht van Tadeusz Micinski. Bij nader inzien vond Szymanowski deze referentie niet relevant meer voor de luisteraar. In dat opzicht verschilde hij niet van Mahler, die in 1896 de bijnaam Titan schrapte. Het programma werd een dag later in Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht herhaald. Serge van Veggel schreef hierover in het Utrechts Nieuwsblad o.m.: "Zoals van De Waart en het RFO verwacht mocht worden, was het orkestspel zorgvuldig gearticuleerd en op wat individuele oneffenheidjes na virtuoos."

Bij het vierde concert op 4 februari 1999 stond het RFO eveneens onder leiding van chefdirigent Edo de Waart, solist was bariton Simon Keenlyside.

    Franz Schmidt - Symfonie nr. 4 in C (1933)
    Richard Strauss - Walzerfolge nr. 1 (1910) uit Der Rosenkavalier
    Gustav Mahler - Lieder eines fahrenden Gesellen (1885)

De Symfonie nr. 4 van Schmidt is de weerslag van een diepgaand emotioneel verwerkingsproces dat hij moest doorstaan nadat zijn dochter overleden was. Het Adagio lijkt een treurmars te zijn naar haar laatste rustplaats, de prachtige cellosolo roept herinneringen op aan zijn functie van solo-cellist. De symfonie begint met een verstilde trompetsolo, een weemoedige terugblik op gelukkiger tijden, gevolgd door volksmuziek die een toespeling zijn op Bratislava, de geboorteplaats van Schmidt. Aan het eind klinkt opnieuw de solotrompettist, die een laatste maal omziet in berusting.
De opera Der Rosenkavalier gaat over hartstochten in alle facetten. Van de daarin fragmentarisch voorkomende walsen zijn suites samengesteld, die razend populair werden. Zozeer dat Richard Strauss de walskoningen Johann 1 en Johann 2 succesvol naar de kroon stak.
Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen behandelen aangename herinneringen aan vroeger en de treurigheid over het verlies ervan. De gezel uit de cyclus is teleurgesteld in zijn onbeantwoorde liefde voor de dochter van zijn meester en ziet geen andere uitweg dan huis en haard te verlaten en te gaan zwerven. Uiteindelijk vindt hij troost in de schoot van moeder natuur.

 

Edo de Waart dirigeert Carmen in Muziektheater

Het RFO begeleidde met Edo de Waart in Amsterdam van 28 januari t/m 24 februari 1999 bij de Nederlandse Opera een reeks voorstellingen van Georges Bizets bekende opera Carmen in een ongewone productie. De Duitse regisseur Andreas Homoki had namelijk alle dialogen geschrapt om het probleem te omzeilen, dat niet-Franstalige zangers lappen Franse tekst zouden moeten spreken. Soldaten, fabrieksmeisjes en zigeuners waren vervangen door een keurig in avondkleding gestoken operakoor, gezeten in roodpluche stoelen op de achterbühne. Hierdoor ontstond een kring met het zaalpubliek, een soort arena, waarin het verhaal zich voltrok.

Paul Korenhof was niet gelukkig met deze oplossing: ”Leuk bedacht, maar van de opera van Bizet bleef daarbij weinig anders over dan een muzikaal goede uitvoering onder Edo de Waart met een redelijk internationaal solistenteam, aangevoerd door de Roemeense Carmen Oprisanu”. Ook Hans Heg (de Volkskrant) had problemen met deze naar het heden vertaalde Carmen, en loofde alleen de Micaëla van de Roemeense sopraan Adina Nitescu en de bijrollen. Voor de andere solisten had hij geen goed woord over. ”Koor en orkest leverden, zoals viel te verwachten, vakwerk af. Hoewel dirigent Edo de Waart voor de pauze een wel erg gesoigneerde aanpak had. Pas het begin van het laatste bedrijf, het hoogtepunt, maakte ook bij hem los wat niet eerder te horen was: passie en temperament”.

Soms verdient een goede concertante uitvoering van een opera de voorkeur boven een slechte scenische productie in het theater.

 

Reünie van oud-orkestleden

Het verlangen om elkaar na zoveel jaren weer eens terug te zien, leefde al lang onder de oud-collega’s van het RFO en dankzij financiële medewerking van MCO-directeur Ben Janssen kon dit feestje eindelijk verwezenlijkt worden op 11 maart 1999, 54 jaar na de oprichting van het Radio Philharmonisch Orkest (de spelling 'Filharmonisch' werd pas later ingevoerd). Hoewel niet alle adressen van intussen verhuisde gepensioneerden achterhaald konden worden en het PNO daarbij niet mocht helpen, slaagde het Historisch Genootschap RFO er toch in een groot aantal voormalige orkest- en stafleden te bereiken. In totaal meldden zich 153 personen aan. De hereniging vond plaats in het Muziekcentrum van de Omroep op Heuvellaan 33 te Hilversum, bij de gepensioneerden beter bekend als “de VARA-studio”.

Na de ontvangst met koffie en gebak woonde het gezelschap in de nieuwe MCO-studio 5 het slot bij van een repetitie, waarin het RFO met Maître Jean Fournet repeteerde aan Psyché van César Franck. Dat werd een feest der herkenning! Aansluitend onhulde de Maître in het Muziekcafé de orkestfoto’s van het RFO met alle chef-dirigenten van 1945 tot 1999. Onder het genot van een hapje en een drankje vermengden de diverse RFO-generaties zich daarna tot één grote familie om herinneringen op te halen. “Weet je nog wel oudje...” Ook konden zij oude filmfragmenten van tournees bekijken en een speciaal ingerichte tentoonstelling van hetgeen het Historisch Genootschap uit het verleden had weten op te diepen: foto’s van het RFO, programmaboekjes, grammofoonplaten, recensies, sporttrofeeën e.d. Dit geslaagde feest werd fotografisch vastgelegd door Esther de Bruijn, Ton Wilmes en Alexander van den Tol.

(op de foto: violist Elie Meyer en zijn vrouw Gon in gesprek met Jean Fournet)

 

Jean en Anne Fournet in ‘Grote Hartstochten’ in De Doelen

Hoe Franse hartstochten muzikaal klinken, was op 15 maart 1999 te horen in het 5e concert van de Rotterdamse serie. Het RFO en Maître Jean Fournet, sinds 1978 Chef d’Orchestre Permanent Invité, deden oude tijden herleven met de vier instrumentale delen uit Psyché (1888) van César Franck en het mysteriespel Le martyre de Saint Sébastien (1911) van Claude Debussy met medewerking van dochter Anne Fournet (declamatie), Lisa Lévy-Grinfeld (sopraan) en het Nederlands Theaterkoor.

Op verzoek van de Russische danseres Ida Rubinstein, beeldschoon en schatrijk, schreef Debussy in twee maanden tijd de muziek bij het mysteriespel van de Italiaanse poëet d’Annunzio. De première in Parijs werd een mislukking. Het publiek wist er zich geen raad mee en kerkelijke autoriteiten protesteerden hevig. D’Annunzio’s interesse in de legende was nauwelijks religieus geïnsprireerd, veeleer als homo-erotische transfiguratie van Adonis, de mythische god van de jacht en symbool voor mannelijke schoonheid. De vijf scènes met proloog vertoonden geen coherente samenhang, zelfs de bij vlagen geniale muziek van Debussy niet. Maar tijden veranderen. In 1975 oogstte Fournet met het RFO in Parijs en Vézelay veel succes met dit werk waarbij acteur Laurent Terzieff de teksten sprak. In Rotterdam was deze taak toebedeeld aan Anne Fournet, de dochter van de Maître (foto). Als actrice had zij naam gemaakt in toneelstukken en als recitante bij muziekdramatische werken zoals Jeanne d’Arc au bûcher van Honegger, L’histoire du soldat van Stravinsky en Les choéphores van Milhaud. In 1985 vertolkte zij bij het RFO o.l.v. haar vader de spreekstem bij Stravinsky’s ballet Perséphone, eveneens geschreven in opdracht van Ida Rubinstein.

In de Haagse Courant keek Aad van der Ven in zijn recensie van de uitvoering in de Doelen met respect terug op de successen die Fournet met het Rotterdams Phil in de 70-er jaren geboekt had. ”Maar langer en diepgaander was zijn relatie met het Radio Filharmonisch Orkest, dat hem nog steeds op handen draagt. […] De Franse muziek is zijn domein. Die geeft hij waar mogelijk glans, lichtheid en sereniteit. Alles wat we in Fournet bewonderen kreeg gisteravond weer gestalte in Debussy’s Le martyre de Saint Sébastien. Een vreemde compositie, deze fragmentarische partituur. De meeste dirigenten beperken zich tot enkele instrumentale delen, maar het was interessant die delen nu eens binnen hun context te horen. Een gebeurtenis van onbeschrijflijke schoonheid”.

Gennady Rozhdestvensky, het RFO, GOK en solisten besloten de serie op 30 mei 1999 met de complete toneelmuziek Manfred opus 115 (1849) van Robert Schumann en de Faust-Kantate ‘Seid nüchtern und wachet’ (1983) van Alfred Schnittke. Faust verkocht zijn ziel aan Mephistopheles en werd beloond met rijkdom, kennis en alle geneugten des levens. Manfred - de aan de fantasie van Lord Byron ontsproten mystieke edelman - liet zich eveneens in met de zwarte kunsten om zijn honger naar kennis te stillen. Maar daarmee houdt de overeenkomst ongeveer op. Schnittke koos voor zijn libretto niet Goethes versie, maar een eerdere sage uit 1587: Historia von Dr. Johann Fausten, dem weitbeschreyten Zauberer und Schwarzkünstler.

 

Wereldpremière van De Expeditie van Klas Torstensson

In juni 1999 voerden de omroepmusici acties voor een nieuwe CAO. De voornaamste reden was dat hun salaris ver achter bleef bij dat van de andere orkesten in Nederland. De staatssecretaris voor cultuur, Rick van der Ploeg, bood het MCO niet meer dan de 1,5 procent prijscompensatie. Aanvankelijk beperkten de acties zich tot het onderbreken van concerten en het voorlezen van pamfletten. 

 

Onder deze omstandigheden verzorgde het RFO op 12 juni 1999 onder leiding van Peter Eötvös in het Amsterdamse Concertgebouw de wereldpremière van Klas Torstenssons opera De Expeditie, een eenmalige concertante uitvoering in het kader van het Holland Festival. Het verhaal behandelt de mislukte onderneming van de Zweedse avonturier Salomon August Andrée en zijn companen Nils Strindberg en Hjalmar Frenkel om per ballon de Noordpool te bereiken. Op 15 juli 1897 vertrok het gezelschap vanuit Spitsbergen. Meteen bij de start werd de ballon al onbestuurbaar. Uiteindelijk werden de drie lijken gevonden op een eiland in de Poolzee. Torstensson stelde zelf het Zweedstalige libretto samen, dat is gebaseerd op nagelaten brieven en dagboekfragmenten. Vijf jaar werkte hij aan dit muziekdrama, dat aanvankelijk bestemd was om al in 1997, honderd jaar na de tragische ballonvaart, in première te gaan. De Expeditie bestaat uit twee bedrijven, gescheiden door een orkestraal intermezzo, en wordt besloten met een epiloog. De rollen van de drie ballonvaarders werden gezongen door Göran Eliasson, Olle Persson en Mats Persson. De Nederlandse sopraan Charlotte Riedijk zong de rol van Anna Charlier, verloofde van Strindberg.

 

De pers reageerde enthousiast op zowel de compositie als de uitvoering. Frits van der Waa schreef in de Volkskrant: “Opmerkelijk is dat Torstensson zonder zijn van origine hardhandige, complex-moderne idioom ontrouw te worden, waar nodig een beroep doet op traditionele stijlmiddelen. Zo klinken er feestfanfares tijdens het vertrek van de ballon, en de liefdesduetten zijn gevat in een voluptueus Puccini-achtig orkestgewaad. Maar tegelijkertijd zoeven er elektronische geluiden uit de speakers en klinkt er onderhuids geritsel en gekraak in het orkest. Dirigent Peter Eötvös en het Radio Filharmonisch Orkest leverden een titanische prestatie.” NRC-recensent Ernst Vermeulen verwoordde het als volgt: “Zowel de nieuwe als de veel meer veeleisende oude Torstensson werden formidabel trefzeker uitgetekend door het Radio Filharmonisch Orkest onder de ongeëvenaard geconcentreerde, geen moment verslappende leiding van Peter Eötvös. Elk superlatief schiet nog tekort! Soms werd je horendol van het geweld, voelde je je opgenomen in een snijdende sneeuwstorm. Naast het van de componist reeds bekende kraken van het barstend ijs, klinkt nu ook het boosaardige brandgeknetter wanneer de hallucinerende poolreizigers een halo als een vuurzee rond de zon waarnemen. Al worden die hitte en dodelijke kilte je soms te veel, je moet blijven luisteren. Torstensson toont vooral een ijzeren greep in zijn groots en grimmig getimmer niet zonder grandeur. De pooltocht is mislukt, de opera allerminst.” In de Haagsche Courant besloot Aad van der Ven zijn artikel met: “En het Radio Filharmonisch Orkest mag dan verwikkeld zijn in een stevig gevecht om een betere CAO, het blijft vakkundig buitengewoon zware, veeleisende muziek spelen, zeker onder leiding van iemand als Peter Eötvös. Orkest, solisten, elektronica, alles was tot in de puntjes verzorgd”.

Zo resulteerde vijf jaar noeste arbeid van de componist in één enkele concertante uitvoering. De live-opname van deze middag werd later op een fraai vormgegeven dubbel-cd uitgebracht door het MGN-label Composers’ Voice (CV 100).

 

 

 

 

Bernard Haitink even terug bij het RFO

Na een lange afwezigheid keerde Bernard Haitink in juni 1999 terug bij het orkest, waar hij als chef-dirigent van 1957 tot 1961 de basis legde voor zijn latere carrière: het RFO. Aanleiding hiertoe was de concertserie “Carte blanche voor Bernard Haitink”, die hem ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag aangeboden was door Martijn Sanders, directeur van het Concertgebouw te Amsterdam. In deze serie leidde Haitink orkesten, die in zijn loopbaan een speciale rol hebben gespeeld: het Koninklijk Concertgebouworkest, de Wiener- en Berliner Philharmoniker, de Royal Opera Covent Garden, de Sächsische Staatskapelle Dresden en ook het Radio Filharmonisch Orkest. Haitink mocht de programma’s zelf samenstellen.

 

 

 


Voor de concerten met het RFO en het GOK op 29 en 30 juni koos hij La damnation de Faust van Hector Berlioz, en als solisten: Charlotte Margiono (Marguerite), Vinson Cole (Faust), Jaco Huijpen (Brander) en Thomas Quasthoff (Méphistophélès). In een exclusief interview voor RFO-Informeel vertelde Haitink: “In deze serie heb ik alle werken zorgvuldig gekozen. Waarom Damnation…, daar had ik verschillende redenen voor. Ten eerste heb ik dierbare herinneringen aan de samenwerking met het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor, en ik miste in de serie nog het Franse element. Ik wil niet steeds dat Mahler- en Bruckner-etiket om mijn hals hebben. De Damnation is één van die unieke stukken waar een koor aan meewerkt en waarin toch het orkest de belangrijke functie heeft. Ik heb het tot nu toe maar éénmaal gedaan, vier uitvoeringen in 1983. We doen het nu twee keer, er was kennelijk vraag naar. Al met al een goede keuze…"

 

"Tja, het Radio Fil…, we hebben in 1959 onze eerste Sacre gedaan, dat is ook een dierbare herinnering..., dat ik nu weer terugkom in Hilversum is een brok nostalgie voor mij, maar in het orkest is intussen niemand meer van toen. Toch zou ik het prettig vinden om weer een paar oud-collega’s te ontmoeten, tenminste als dat niet te moeilijk is. We zijn tenslotte allemaal een stuk ouder geworden. Ik denk dat ik zo’n weerzien erg emotioneel zal vinden, de mensen zijn zo aardig voor mij geweest, dat ben ik niet vergeten.” Haitinks wens ging op 26 juni in vervulling toen hij bij een repetitie in de MCO-studio een tiental oud-collega’s van het RFO uit de periode 1957-’61 ontmoette. De oudste was de 91-jarige violist Elie Meyer. Op de foto: Bernard Haitink ontmoet bassist Jaap Grundeler, hoornist Kees Versneij en trompettist Jas Doets.

De uitvoering van La damnation de Faust van 1999 is bij het 65-jarig bestaan van het RFO in 2011 als dubbel-cd uitgebracht op het label Challenge Classics.

Nadat Bernard Haitink in 1961 tot chef-dirigent van het Concertgebouworkest benoemd was, heeft hij nog een paar maal het RFO als gast geleid. In 1962 was dat in een Verdi-programma met Gré Brouwenstijn, in 1965 met de 7e Bruckner, in 1969 met Mahler 2 en een jaar later Mahler 3, de laatste drie concerten in het kader van de VARA-Matinee. In september 1974 vond in het Concertgebouw te Amsterdam een Bruckner-feest plaats met 3 concerten ter herdenking van diens 150e geboortedag. Claudio Abbado dirigeerde de Wiener Philharmoniker en Bernard Haitink het Concertgebouworkest. Met het RFO voerde Haitink Bruckners Mis in f uit en zijn Symfonie nr. 4. Daarna zou het 25 jaar duren voordat hij bij het RFO terugkeerde.

 

Serie Wie ein Naturlaut in Rotterdam

Onder de titel Wie ein Naturlaut (ontleend aan Gustav Mahler, Symfonie nr. 1) presenteerden de AVRO en de Rotterdamse Doelen in het seizoen 1999/2000 een serie van zes concerten met het RFO. Aan alle symfonische werken in deze serie lag de natuur als bron van muzikale inspiratie ten grondslag. Zij bestrijken de periode vanaf Beethoven tot aan de twintigste eeuw. Paul de Kok, programmeur van deze serie, lichtte toe dat bij een aantal van deze concertprogramma’s bewust is gekozen voor het contrast, want: “Zoals de natuur zelf eindeloos – van tijd tot tijd en van plaats tot plaats – kan variëren, zo verschillend is ook de muziek die dank zij haar inspiratie is ontstaan.” De serie ging van start op donderdag 30 september 1999, met een concert dat meteen zo’n contrast opleverde. Op het programma stonden twee symfonieën met een identieke titel maar een volstrekt andere uitwerking: de Symfonie nr. 1 'Frühlingssymphonie' (1831) van Robert Schumann en de veel minder bekende Spring Symphony (1949) van Benjamin Britten. Aan dit laatste werk, op Engelse gedichten met de lente als verbindend thema, werkten ook het GOK, het Roder Jongenskoor, de sopraan Rosemary Joshua, de alt Catherine Denley en de tenor Adrian Thompson mee. Het geheel stond onder leiding van Alexander Liebreich. Tussen de beide symfonieën voerde het GOK een ander werk van Britten uit: de Five flower songs voor koor a capella.

In de overige concerten van de serie Wie ein Naturlaut werd het RFO gedirigeerd door Hans Vonk, Alexander Lazariev, Lawrence Renes, Claus Peter Flor en chef-dirigent Edo de Waart. Daarin kwamen onder meer de volgende symfonieën aan bod: Tsjaikovski - Symfonie nr. 1 “Winterdromen”, Strauss – Eine Alpensinfonie, Mendelssohn – Symfonie nr. 3 “Schotse” en Sibelius – Symfonie nr. 7. De serie werd afgesloten met Beethovens Symfonie nr. 6 “Pastorale”. Een deel van de programma’s werd herhaald in de serie Zondagochtend Concerten in het Amsterdamse Concertgebouw.

 

Verder naar 2000    Terug naar het overzicht