RFO Geschiedenis 1998

Debuut Jaap van Zweden als dirigent bij het RFO

Violist Jaap van Zweden was beslist geen onbekende voor de musici van het RFO. De jonge concertmeester van het Koninklijk Concertgebouw Orkest trad al enkele malen op als solist bij het RFO, onder andere in Brahms' Dubbelconcert en in het Eerste Vioolconcert van Shostakovich. Ook werd hij inicidenteel verwelkomd als gastconcertmeester, o.a. op 1 mei 1995 in Schönbergs Gurrelieder. Sinds 1995 was de violist ook actief als dirigent en een jaar later werd hij chef-dirigent van het Orkest van het Oosten in Enschede.

Op zaterdag 10 januari 1998 maakte Jaap van Zweden zijn debuut als dirigent bij het RFO. Het betrof een concert in de Rotterdamse Doelen in de AVRO-serie ‘Roaring Rotterdam’ en het programma bevatte - heel opmerkelijk - zowel stukken uit het ijzeren repertoire (Schumanns Ouvertüre Manfred en Beethovens Vijfde Symfonie) als een Nederlandse première: een concert voor piano en orkest The Beserking van James MacMillan met als soliste Joanna MacGregor. Het concert werd (zonder de ouverture) een dag later herhaald in de serie Zondagochtendconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw. Zeer tot ongenoegen van de concertorganisatoren werd dit succesvolle debuut door de pers genegeerd, er verschenen geen recensies.

 

Hans Vonk dirigeert Oedipus Rex en Psalmensymfonie bij DNO

Van 4 t/m 30 maart 1998 speelde het RFO onder leiding van zijn vaste gastdirigent Hans Vonk in de orkestbak van het Muziektheater te Amsterdam een reeks voorstellingen van Igor Stravinsky’s opera Oedipus Rex, (libretto van Jean Cocteau/Sophocles) en de Psalmensymfonie (met teksten uit de Vulgata). Op de bühne daarentegen was een geheel eigen versie te zien van de Amerikaanse regisseur Peter Sellars (foto), die beide werken zonder pauze versmolt tot één verhaal, zijn verhaal. De religieuze inhoud van de geënsceneerde Psalmensymfonie verving hij door Sophocles’ tweede tragedie: Oedipus in Colonos. Gelukkig liet Sellars Stravinsky’s muziek ongemoeid.

In de pers werd vooral Sellars opvatting breed becommentarieerd. Mischa Spel (Het Parool) vatte het als volgt samen: ”Het wezen van Sellars’ enscenering staat haaks op Stravinsky’s opzet, maar kwam ook tegemoet aan diens voornaamste wens: de muziek kreeg alle aandacht. Hans Vonk dirigeerde het Radio Filharmonisch Orkest in een opvallend levendige vertolking van zowel Oedipus Rex als de Psalmensymfonie. Hij deed dat met gevoel voor het monumentale karakter van Stravinsky’s werken, maar ook met de lichte toets die nodig is voor de prachtige aria van Jocaste, onvergetelijk warmbloedig gezongen door Lorraine Hunt, of in de virtuoos gezongen aria van de herder, sterk vertolkt door Thomas Randle. Dat Sellars het verhaal van Oedipus laat doorlopen in een geënsceneerde Psalmensymfonie is daarna eigenlijk jammer”.

Hans Vonk had sinds zijn aanstelling in 1976 als dirigent bij de Nederlandse Opera een slechte verhouding met regisseurs. “Ze beschouwen de muziek als iets hinderlijks dat de tekst steeds maar stoort, want het gaat ze om de handeling. Terwijl wij weten dat de componist de tekst al heeft behandeld in de muziek”, citeert Luuk Reurich de dirigent in zijn boek ‘Hans Vonk, een dirigentenleven’. Vlak voor de opening van het nieuwe Muziektheater in Amsterdam nam Vonk met gemengde gevoelens afscheid als chef-dirigent van de Opera. Opmerkelijk is daarom Vonks uitspraak in Odeon in 1998: “Van alle regisseurs met wie ik tot nu toe gesproken heb, heeft Sellars mij het meeste geïmponeerd. Ik stel mij veel van onze samenwerking voor”.

 

RFO krijgt sponsor: NUTS verzekeringen

In april 1998 werd het sponsorcontract getekend tussen zorgverzekeraar NUTS en het RFO. Een unicum in de omroepgeschiedenis, aangezien de Omroepwet dit tot dan niet had toegestaan. Het orkest wendde de sponsorgelden van NUTS aan voor het financieren van speciale muziekprojecten, zoals b.v. een eigen concertserie van het RFO in de Doelen in Rotterdam voor de AVRO. Belangrijke punten uit de overeenkomst waren een jaarlijks terugkerend concert in de Dr. Anton Philipszaal in Den Haag en het mogelijk maken van cd-producties. Bovendien kwamen de partijen overeen dat ensembles en solisten uit het orkest hun medewerking verlenen aan sociaal-culturele evenementen van NUTS, zoals de jaarlijkse door NUTS georganiseerde boottocht voor chronisch zieken en gehandicapten op het schip J. Henry Dunant van het Nederlandse Rode Kruis. De sponsoring werd aangegaan tot 1 januari 2002.

Hans Buitenhuis, lid van de Raad van Bestuur van NUTS, beargumenteerde de keus van het bedrijf voor het RFO alsvolgt: “Een bedrijf moet allereerst een goed product leveren en dient daarenboven zijn naamsbekendheid en imago te verrijken. Dat deden we al bij sport en gaan dat nu ook bij cultuur doen. Wij zochten daarvoor naar projecten die een nationale of zelfs internationale reputatie uitstralen. Peter van Es, die een sponsoring-adviesbureau runt, bracht ons in contact met Rob Overman en zo viel onze keus op het RFO”.


De contractondertekening werd gevierd met het aansnijden van een reusachtige NUTS-taart.

 

Drs. Rob Overman vertrekt als manager van het RFO

Vijf jaar na zijn stormachtige binnenkomst vertrok Rob Overman naar Amsterdam, waar hij per 1 september 1998 de functie kreeg van algemeen directeur van de stichting Nederlands Philharmonisch Orkest. “Ik ben iemand die de algehele leiding wil hebben. Bij het MCO was ik één van de managers. Als ik geen belemmering had gehad van een directie die boven mij zat, was het RFO op internationaal niveau al wel een paar stappen verder geweest”, liet hij teleurgesteld optekenen in RFO-Informeel nr.15. “Mijn eerste jaren voelde ik als de beklimming van de Himalaya. Op dit moment kan ik het RFO niet op het punt krijgen waar ik het wil hebben. Ik heb vaak het gevoel gehad in een Porsche te mogen rijden met de handrem erop. Onze staf is te klein. Er is geen balans in het programmabeleid. Binnenkort spelen we met Haitink de Damnation en daarvóór wekenlang moderne programma’s, dat is een slechte voorbereiding voor Haitink. De omroepen hebben allemaal hun eigen ideeën, het eeuwige geruzie in de commissie ‘levende muziek’ ben ik zat. Er zou één groot instituut Radio 4 moeten komen, waar het MCO is ondergebracht, met één artistiek directeur”. Desondanks waardeerde Overman in zijn afscheidstoespraak zijn tijd bij de omroep als ‘mooie boeiende jaren’, waarin het RFO onder Edo de Waart iedere dag groeide, zichzelf steeds hoge eisen stelde, het gastdirigentenbeleid verbeterde en er middels verjonging een nieuwe drive ontstond. De pers en het publiek rekenden het RFO tot de allerbeste ensembles van het land. Toch ging het volgens Overman vaak niet snel genoeg: ”Kijk toch eens achter je, zie je niet hoe ver we al zijn ?”, zei Edo dan.

 

Rob Overman werd opgevolgd door Stefan Rosu.

 

Kirill Kondrashin Concours 1998

Winnaar van het vierde internationale Kirill Kondrashin Concours 1998 voor jonge dirigenten werd op 28 augustus 1998 de Japanner Daisuke Soga (foto). Hij ontving in het Concertgebouw te Amsterdam ter bevordering van zijn verdere carrière de som van 75.000 gulden en tevens de prijs van de European Broadcasting Union voor de beste uitvoering van het verplichte moderne werk. Carlo Rizzari uit Italië eindigde als tweede, de Rotterdammer Hans Leenders werd derde. Het vijfjaarlijkse concours is een samenwerkingsverband tussen NOS en de Kirill Kondrashin Stichting, ook dit jaar weer met medewerking van het RFO.

De jury bestond uit Kurt Sanderling, Viktor Liberman, Jorma Panula, Sir Edward Downes, Edo de Waart, Jasper Parrott en Jan Zekveld, met als technisch voorzitter de filosoof en kroonlid van het NOS-bestuur Prof. Joop Doorman. Een noviteit in 1998 was het stemadvies dat het orkest na iedere ronde mocht geven. Ook kon het RFO zelf een prijs toekennen aan een dirigent, en dat hoefde niet een van de finalisten te zijn.

 

 

 


Van de 170 kandidaten die zich voor het concours hadden aangemeld, werden er 18 uitverkoren. Zij kregen ieder een half uur. De acht besten gingen door naar de tweede ronde met Adams, Mahlers Adagietto en vier Mozart-aria’s op de lessenaar. Vervolgens bogen zes deelnemers zich in de derde ronde over Mahler 3, Beethoven 5 en de Sacre. Pittige opgaven. De meningen van jury en orkest liepen tot dan parallel, hoewel bij het RFO een uitgesproken voorkeur bestond voor Kirill Petrenko en Yaron Traub. Voorzitter Doorman constateerde echter een verschil in benadering:“gaat het om de aanmoediging van een veelbelovend talent of om de aanbeveling van iemand die rijp genoeg is om de wereld ingestuurd te worden?” Van de drie door de jury gekozen finalisten stond alleen Rizzari op het RFO-lijstje. De orkestprijs van het RFO ging uiteindelijk met overgrote meerderheid naar Yaron Traub, de jury gaf hem als troostprijs een eervolle vermelding. Roland de Beer sprak in de Volkskrant van een “weinig enerverende oogst” en kon zich wel vinden in de keus van het RFO voor Yaron Traub, die volgens hem de beste papieren had.

Het verplichte moderne werk was Vuurdoop van Micha Hamel, in opdracht van de NOS speciaal voor het concours gecomponeerd met financiële steun van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst. Deze compositie werd opgedragen aan de musici van het Radio Filharmonisch Orkest. KPMG was de hoofdsponsor van het concours, met dank aan Energy Storage and Power Consultants Inc.

Daisuke Soga was in 1998, na Jun’ichi Hirokami uit Japan (1984 ) en de Taiwanees Shao-Chia Lü (1994), de derde Aziaat die in Amsterdam met de 1e prijs bekroond werd. De enige Europese winnaar was Mark Wiggelsworth uit Engeland in 1989. Achteraf blijkt het 4e concours het laatste door de NOS georganiseerde concours geweest te zijn, hetgeen de vraag oproept of hierbij sprake was van een vooruitziende blik. Wanneer namelijk de inkrimping van het aantal orkesten door blijft gaan, worden op den duur dirigenten overbodig.

 

Der Rosenkavalier in plaats van Tannhäuser

Met een concertante uitvoering van Wagners Tannhäuser zou het 38e Matineeseizoen op 12 september 1998 worden geopend. De uitvoering zou enkele dagen later worden herhaald in Montreux. Veel RFO-leden hadden hun partij van de veeleisende opera al voor de zomervakantie in huis en vooral de strijkers hadden er al menig uurtje op gestudeerd, toen ze te horen kregen dat het feest niet doorging. Tenor Peter Seiffert, die voor de titelrol was gecontracteerd, moest afzeggen. Toen ook zijn vervanger Frederic West verstek liet gaan, werd besloten om Tannhäuser voorlopig in de ideeënmap te laten. Met dirigent Edo de Waart en een groot aantal van de gecontracteerde solisten werd overeengekomen om in plaats daarvan Der Rosenkavalier van Richard Strauss uit te voeren, een al even kolossale opera. Het uitstapje naar Montreux kwam daarmee wel te vervallen en de orkestleden konden in augustus een nieuwe studiepartij ophalen. “Ach, een beetje extra studeren kan nooit kwaad”, meende de chef-dirigent.

Hij had Der Rosenkavalier enkele maanden eerder gedirigeerd bij de Parijse Opéra de la Bastille en was dus zeer vertrouwd met het werk. Dat gold ook voor de bas Franz Hawlata, die zonder problemen zijn rol van Baron Ochs kon hernemen. Sopraan Linda Watson (oorspronkelijk Venus) nam de rol van Marschallin voor haar rekening en ook de overige zangers uit de Tannhäuser-cast konden in andere rollen worden geplaatst. Voor de rol van Octavian werd Susan Graham (foto) aangetrokken. Ook zij maakte deel uit van de Parijse cast. Eva Lind zong de rol van Sophie, Alan Opie die van Faninal en Piotr Beczala was de ‘italienische Sänger’. Omdat een groot deel van de solisten niet afhankelijk was van bladmuziek, kon er op en rond het podium van het Concertgebouw een levendig theatraal schouwspel worden opgevoerd, met een zilveren roos als rekwisiet.

Ondanks de tegenslag zagen De Waart en zijn musici kans om van de uitvoering een enorm succes te maken. In de pers werd de topbezetting alom geprezen en vooral Susan Graham en Franz Hawlata werden in de krantenkoppen geroemd als ‘superster’ en ‘publiekslieveling’. Enkele recensenten brachten de productie van Der Rosenkavalier uit 1976 in herinnering, toen Edo de Waart in het Holland Festival zangers als Frederica von Stade en Jules Bastin en het Rotterdams Philharmonisch Orkest tot zijn beschikking had. “Philips maakte er indertijd een zeer geslaagde opname van. De Waart dirigeerde nu het Radio Filharmonisch Orkest en het resultaat was zo mogelijk nog verfijnder en subtieler dan voorheen”, aldus Peter van der Lint in Trouw. Telegraaf-recensent Eddie Vetter oordeelde: “Het Radio Filharmonisch Orkest speelde werkelijk fabelachtig”.

Voorafgaand aan dit eerste Matineeconcert van 1998/’99 werd bekend gemaakt, dat programmeur André Hebbelinck aan het eind van dat seizoen zou opstappen. Als hoofd van de VARA muziekafdeling was hij nauw betrokken bij de turbulente reorganistie van Radio 4. De toekomst van de Matinee, een belangrijke baken in het Nederlandse muziekleven, kwam daarmee nog meer onder druk te staan.

 

Quodlibet van Emmanuel Nunes

Het is waarschijnlijk niet eerder voorgekomen dat RFO-musici werd verzocht om voor een repetitie wel hun partij mee te nemen, maar hun instrument thuis te laten. Dat overkwam een groot deel van het orkest toen er in het Amsterdamse Concertgebouw moest worden gerepeteerd voor de Matinee van 3 oktober 1998. De repetitie onder leiding van Micha Hamel was dan ook uitsluitend bedoeld als logistieke voorbereiding: wie bevindt zich op welk moment waar in het gebouw en hoeveel tijd is er beschikbaar om de volgende positie in te nemen.

Op het programma stond één compositie: Quodlibet (1991) van de Portugees Emmanuel Nunes. Het orkest werd voor dit werk opgesplitst in allerlei groepen, groepjes en eenlingen. De grootste formatie bevond zich als ‘normaal’ orkest permanent op het podium en werd gedirigeerd door Lawrence Renes. De rest vormde ensembles in steeds wisselende samenstellingen, die overal en nergens in het gebouw samenkwamen en weer uiteenvielen: in de hoeken en gangpaden van de zaal, achter geopende deuren in de publieksfoyers, op de balkons, in de loges, voor, achter, onder, boven, noem het maar op. Deze steeds verplaatsende orkestleden werden (meestal vanuit het midden van de zaal) gedirigeerd en gecoördineerd door Micha Hamel. Het proces moest tot op de seconde nauwkeurig worden uitgevoerd. Om de synchroniteit te waarborgen waren overal in het Concertgebouw, ook zichtbaar voor het publiek, enorme digitale klokken gemonteerd. Voor sommige musici was het overigens nog een hele opgave om zich binnen de voorgeschreven tijd van de ene positie naar de volgende te verplaatsen, vooral voor de violiste die zich wegens een blessure met krukken moest behelpen. Voor de musici was het concert een speels, soms wat hilarisch evenement, waarin het muzikale verband vaak ver te zoeken was. Maar voor het publiek moet het ongetwijfeld een spannende, avontuurlijke belevenis zijn geweest. Recensent Paul Janssen deed verslag van zijn ervaring in Het Parool: ‘Kwaad stekelvarken’.

 

RFO-serie ‘Grote hartstochten’ in Rotterdam

De in 1997 gestarte concertserie ‘Roaring Rotterdam’, een samenwerkingsverband van RFO, AVRO en De Doelen, werd in het seizoen 1998/’99 voortgezet met 6 concerten onder de titel ‘Grote Hartstochten’. Beide series combineerden spectaculaire meesterwerken uit de 20e eeuw met de Grote Klassieken uit de vorige eeuw en hadden tot doel het Rotterdamse publiek een alternatief te bieden voor de behoudende programmering van zijn eigen orkest.

Het RFO opende de serie op vrijdag 16 oktober 1998 met zijn vaste gastdirigent Lawrence Renes en trombonist Christian Lindberg in het volgende programma:


    Samuel Barber - Adagio for Strings
    Michael Nyman - Tromboneconcert (Nederlandse première)
    Pjotr Iljitsj Tsjaikovski - Symfonie nr. 6 in b, opus 74 ‘Pathetique’

Barber bewerkte het aangrijpende Adagio uit zijn Strijkkwartet nr. 1 tot Adagio for Strings voor strijkorkest en daarmee werd het zijn meest gespeelde werk, zowel in de concertzaal als bij herdenkingen. Het Tromboneconcert van de minimalist Nyman is een beklemmend portret van de nietsontziende emoties die de massa (het orkest) in stelling brengt tegen de nonconformistische individualist (het solo-instrument). Nyman greep terug op de harmonische slotformules (kadenzen) uit Funeral Music for Queen Mary van Purcell, als herdenking op diens driehonderdste sterfjaar in 1995. Tegen een decor van slagwerk en pulserende houtblazers, van koper en houtblazers, en louter strijkers tot slot, gaat de trombone een gevecht aan met het orkest, triomfeert, maar wordt weer in de verdediging gedrongen door krijgshaftige percussionisten. Tsjaikovski en hartstochten zijn synoniem met elkaar. De naam 'Pathetique' voor de Zesde Symfonie werd bedacht door Modest, broer Peter was het daar direct mee eens. Enkele dagen na de première overleed de componist onder nooit opgehelderde omstandigheden.

Het tweede concert in De Doelen vond plaats op 23 november 1998. Alexander Liebreich leidde het RFO, het GOK, Irmgard Vilsmaier (sopraan) en Geert Smits (bariton) in Zemlinsky’s Frühlingsbegräbnis (Dem Andenken Johannes Brahms gewidmet), gevolgd door Brahms’ Eerste Symfonie. Met Zwerftochten door het woud (1910) van Alphons Diepenbrock werd het concert geopend.

 

Stefan Rosu wordt manager van het RFO

Met ingang van 1 november 1998 werd Stefan Rosu de nieuwe manager van het RFO. Hij was vanaf 1995 ‘Künstlerischer Betriebsdirektor’ bij het Festival van Schleswig-Holstein geweest en had Kunstmanagement en Muziekwetenschappen gestudeerd in Wenen en Münster. Bij zijn overstap naar Hilversum werd hem de vraag gesteld of hij ooit van het RFO gehoord had. Het antwoord was: “Ja, in Duitsland is de ‘Niederländische Radio Philharmonie’ een vrij bekend orkest. Mijn platenzaak had de Mahler-box en de Wagner Adventure. Tijdens het Kondrashin Concours hoorde ik het orkest voor het eerst live en voelde ik meteen de energie die er in zit.”

Na enkele maanden gaf Rosu in RFO-Informeel zijn eerste indrukken weer: “Ik mis de artistieke lijn in de programmering, een goede balans tussen hedendaagse programma’s en standaard repertoire en geschikte gastdirigenten die bij het orkest passen. Ik denk bijv. aan Markus Stenz. Het RFO zou regelmatig moeten spelen in steden als Keulen, Brussel, Londen en misschien ook Parijs. Die centra zijn dichtbij, belangrijk voor de muziekmarkt en goed voor het orkest. Dat moet voor de omroep toch niet al te veel problemen opleveren. Ten vijfde: tournees, om het jaar één in Europa en één daarbuiten. Maar daar hebben we meer mensen en meer geld voor nodig”. Grootse plannen, waarvan Rosu slechts enkele kon verwezenlijken.

 

Wereldpremière Monumentum van Jan van Vlijmen

Het was een fraai staaltje van authentiek Nederlandse verzuiling. Terwijl op 10 december 1998 in de Utrechtse Pieterskerk de Nederlandse Muziekdagen van start gingen, verzorgde het RFO enkele honderden meters verderop in Muziekcentrum Vredenburg de wereldpremière van Monumentum, een omvangrijke tweedelige symfonie van de Nederlandse componist Jan van Vlijmen (foto). Het zou voor de organisatie van de Nederlandse Muziekdagen een koud kunstje zijn geweest om deze Tros/Vara-productie in haar programmering in te lijven, maar het grote struikelblok was Anton Bruckner. Van hem stond namelijk de Zesde Symfonie op hetzelfde programma. Inderdaad, geen Nederlandse muziek…

Van Vlijmen componeerde zijn symfonie op verzoek van Edo de Waart en de Matinee op de Vrije Zaterdag ter nagedachtenis aan de op 27 maart 1997 overleden ontwerper Benno Premsela, met wie de componist goed bevriend was. Het werk is opgedragen aan het Radio Filharmonisch Orkest en zijn chef-dirigent, die het werk dus in Utrecht in première brachten en op 12 december herhaalden in de Vara-Matinee. Het eerste deel van de symfonie heet Heptagon, vanwege de zeven episoden waaruit het bestaat, met ieder een eigen klankleur. Deel twee draagt het opschrift The Invisible Door en is gebaseerd op een gedicht van de Poolse Wislawa Szymborska. Hierin werd de solistische bijdrage geleverd door mezzosopraan Lani Poulson.

De symfonie van Van Vlijmen maakte indruk op publiek en pers. Meerdere recensenten meenden de invloed van Alban Berg in het werk te horen en Ernst Vermeulen (NRC Handelsblad) noemde het werk een eerbetoon aan Bach. Over de uitvoering liepen de meningen echter sterk uiteen. Michael van Eekeren (De Volkskrant) constateerde bijvoorbeeld dat het RFO en De Waart moeite hadden met de ritmische complexiteit van het eerste deel. De onenigheid gold ook voor de uitvoering van de symfonie van Bruckner. “Hoe mooi de strijkers van het Radio Filharmonisch Orkest zich ook weren, de Bruckners van De Waart zijn en blijven een teleurstelling”, meende Paul Janssen in Het Parool. Doron Nagan noteerde daarentegen in het Algemeen Dagblad: “Zelden heb ik dit werk zo fris, genuanceerd en levendig gehoord. De Waart haalde een prachtige klank uit de strijkers, zorgde voor vloeiende lijnen en intense expressie in elk van de vier delen, iets dat je bij andere dirigenten te vaak mist. Groots”. Aad van der Ven besloot zijn recensie in de Haagsche Courant als volgt: “Middelpunt van het werk is het luisterrijke Adagio, door Edo de Waart met een brede beweging neergelegd en door het Radio Filharmonisch Orkest in rijke, diepe klanken uitgerold. Als totaal getuigde de interpretatie van een sterke greep op deze grootse partituur. In zulke muziek is Edo de Waart op zijn best. En van de musici uit Hilversum kan hetzelfde worden gezegd”.

Van Vlijmens Monumentum werd in april 2003 nog eens opgenomen door Lani Poulson en het RFO o.l.v. Edo de Waart, in aanwezigheid van de componist. De cd hiervan werd in 2004 uitgebracht onder het MGN-label Composers Voice (CV 144) en oogstte veel lof.

 

Verder naar 1999    Terug naar het overzicht