RFO Geschiedenis 2001

Mark Elder combineert Debussy met Ives

In de Matinee op de Vrije Zaterdag van 28 april 2001 speelde het RFO een niet alledaags programma, met een op het eerste gezicht wat onsamenhangende mix van Amerikaanse en Franse werken.

    Samuel Barber – Medea’s meditation and dance of vengeance, opus 23a
    Hector Berlioz – La mort de Cléopâtre (met Katarina Karnéus, mezzosopraan)
    Claude Debussy – uit Images pour orchestre: Gigues
    Charles Ives – uit Holidays Symphony: Washington’s Birthday
    Claude Debussy – uit Images pour orchestre: Rondes de Printemps
    Charles Ives – uit Holidays Symphony: The Fourth of July

Het concert werd gedirigeerd door de Britse dirigent Mark Elder (zie foto), die – zo bleek al eerder – de kunst verstaat om het publiek toe te spreken in boeiende toelichtingen, geïllustreerd met korte muziekfragmenten. Het gedeelte na de pauze, zo legde hij uit, was een soort Vier Jaargetijden, maar dan verdeeld over twee componisten. Want zowel Debussy in zijn Images als Ives in zijn Holidays Symphony baseerden zich op de opeenvolging van de seizoenen. Eerst klonk het herfstachtige, weemoedige Gigues van Debussy, gevolgd door Ives’ Washington’s Birthday, waarin in gedempte tinten een winterlandschap wordt geschilderd en vervolgens een Barn Dance klinkt met een opmerkelijk aandeel van twee mondharpjes. De lente werd vertegenwoordigd door Debussy’s montere Rondes de Printemps en de zomer tenslotte door de uitbundige fanfares (“Columbia, the Gem of the Ocean…”) en het vuurwerk in The Fourth of July.

Ernst Vermeulen vermeldde in zijn recensie in NRC Handelsblad dat Ives dit laatste werk als zijn beste compositie beschouwde. “Mark Elder en de zijnen gingen er volop tegenaan zonder beperkingen, met name in het scheurende koper, het abrupt baldadige benadrukkend. Je wilde na afloop in een luid “Hurrah!” uitbarsten”. Aad van der Ven schreef in de Haagsche Courant: “Mark Elder, een bedreven dirigent die van alle markten thuis is, maakte bij het Radio Filharmonisch Orkest veel geestdrift los in de Amerikaans-naïeve maar intussen buitengewoon gecompliceerde stukken van Ives, waarvan het laatste, The Fourth of July, een ware heksenketel is, veroorzaakt door verschillende orkestgroepen, die exact genoteerd – dat wel – dwars door elkaar heen spelen. Debussy klonk iets minder overtuigend. De Britse dirigent maakt die muziek iets te druk, hoewel het Radio Filharmonisch Orkest – in dit repertoire geschoold door Jean Fournet – in ruime mate de vereiste geraffineerde klank bezit.”

 

Edo de Waart dirigeert Boris Godunov in Muziektheater

De Nederlandse Opera bracht tussen 1 en 28 juni 2001 in het Muziektheater te Amsterdam de opera Boris Godunov van Modest Mussorgski op de planken met briljante solisten, het RFO in de bak en het geheel onder leiding van Edo de Waart. Voor de regie tekende de in Amsterdam zeer geliefde Willy Decker. In de pers werd veel aandacht besteed aan deze productie, die grotendeels gebaseerd was op de oerversie uit 1869. Er was alom zeer veel waardering voor de fabuleuze prestatie van de bas John Tomlinson (Boris) en ook lof voor de tenor Brian Asawa (Feodor) en Henk Smit als Varlaam. Deckers subtiele regie binnen een kaal en duister, bijna tijdloos decor werd geprezen.

Frits van der Waa in de Volkskrant: “Deze karigheid staat in effectief contrast met de rijkgeschakeerde klanken die dirigent Edo de Waart en zijn Radio Filharmonisch Orkest uit de orkestbak doen opstijgen. De soms wat ongepolijste timbres die Mussorgski hanteert hebben een heel eigen kracht. Bij De Waart krijgen de robuuste en de subtiele aspecten van deze door en door Russische muziek het volle pond. Al met al een grootse voorstelling met krachtige beelden.” 

Kasper Jansen kwam in NRC Handelsblad tot een zelfde oordeel:“De krachtige, onheilspellende begeleiding van het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart onderstreept de expansieve ruigheid van John Tomlinson, de Boris, de Sjaljapin van nu.” 

Doron Nagan schreef in het Algemeen Dagblad: “John Tomlinson is ongelooflijk in zang en spel, erg treffend zet hij de rol van slachtoffer Boris neer. De overige zangers zijn eveneens goed. Dirigent Edo de Waart excelleert in zijn benadering van de muziek, met veel nuance en gevoel voor kleur en dramatiek leidt hij het uitstekend spelend Radio Filharmonisch Orkest.”

Eddy Vetter kwam in De Telegraaf tot een opmerkelijke uitspraak: “De muzikaal leider Edo de Waart haalde uit het Radio Filharmonisch Orkest veel meer dan hij de vorige maand met het Concertgebouworkest kon bereiken.”

Paul Janssen van Het Parool concludeerde: “De oerversie is niet minder dan meesterlijk. Als een ‘actionpainte’ die de verf onverdund op zijn doek smijt, heeft Mussorgski ongepolijste noten en ontbeende instrumentaties gebruikt. Het is naakte muziek vol Russisch-orthodoxe elementen en ruige folklore. Muziek die Edo de Waart en zijn Radio Filharmonisch Orkest als gegoten zit.”

 

 

Concertmeester Alexander Barantschik neemt afscheid

Na 19 jaar gefunctioneerd te hebben als concertmeester van het RFO nam Alexander (Sasha) Barantschik op zondag 1 juli 2001 afscheid van het orkest en het land, waar hij zich echt thuis voelde. Maar de eervolle uitnodiging die hij uit Amerika kreeg om concertmeester te worden van het San Francisco Symphony Orchestra kon hij moeilijk weigeren. 

 

De in Leningrad geboren en opgeleide Rus was in 1979 naar Duitsland geëmigreerd, waar hij zijn eerste concertmeesterschap vervulde bij de Bamberger Symphoniker. In RFO-Informeel vertelde hij hierover: “Na drie jaar had ik genoeg van dat provinciestadje, het benauwde me. Toen ik gevraagd werd te solliciteren bij het RFO, deed ik een proefspel in de oude NCRV-studio en werd samen met Kees Hülsmann de opvolger van Dick de Reus. Het was 1982, de tijd dat het RFO geen chef-dirigent had. Ik vond het in Hilversum meteen veel relaxter en vooral vriendelijker, maar de programma’s waren soms minder interessant. Later werd dat beter. Met Comissiona gingen we meer in het Concertgebouw spelen en er kwamen betere gastdirigenten. Ik herinner mij Okko Kamu, Mariss Jansons (maar één keer), Walter Weller, Alexander Lazarev en de in Nederland ten onrechte ondergewaardeerde Rozhdestvensky. De Mahler-cyclus met Edo vond ik een geweldige prestatie. Er zijn maar weinig orkesten die dat hebben gedaan met hun chef; voor mij een hoogtepunt in de geschiedenis van het RFO. Ik ben blij dat ik getuige geweest ben van de grote artistieke groei van dit orkest. Ik zal Amsterdam missen. Het Concertgebouw, ons orkest, de grachten, de café’s”.

Sinds 1987 pendelde Sasha als concertmeester tussen het RFO en het London Symphony Orchestra. Hij werkte daar met de allergrootsten, zoals Bernstein, Abbado, Michael Tilson Thomas, Rostropovich en Ozawa. Het was uiteindelijk MTT die hem naar San Francisco haalde. Op de dag waarop Sasha zijn vertrek bekend maakte, verscheen het rapport van de commissie Hierck met voor het MCO ongunstige bezuinigingsvoorstellen. Sasha betreurde dat. Qua timing kon het niet slechter, maar het één had niets met het ander te maken.

 

RFO in Edinburgh Festival met Saint François d’Assise

Naar aanleiding van de succesvolle uitvoeringen van Olivier Messiaens magnum opus Saint François d’Assise in Amsterdam en Brussel (maart 2000), ontving het RFO een eervolle uitnodiging om dit werk nogmaals uit te voeren op het slotconcert van het Edinburgh International Festival 2001.

 


Het concert vond plaats in de Usher Hall te Edinburgh op 1 september en het groot bezette RFO, dat zijn debuut maakte in dit festival, stond wederom onder leiding van Reinbert de Leeuw. Onder de solisten bevonden zich opnieuw David Wilson-Johnson als St. François en Heidi Grant Murphy als De Engel. Voor het kooraandeel trad het 131-koppige Edinburgh International Festival Chorus aan. Het concert werd bijgewoond door Messiaens weduwe, Yvonne Loriod. In het programmaboekje was vermeld, dat de uitvoering werd gegeven ter nagedachtenis aan Jeanne Loriod, Messiaens schoonzuster, die deze avond een van de ondes Martenot zou bespelen. Zij overleed op 3 augustus 2001. Het publiek raakte zichtbaar ontroerd tijdens het vijf uur durende concert en reageerde na afloop wild enthousiast met een staande ovatie (de enige van het Edinburgh Festival 2001!). Ook in de pers werd de uitvoering bejubeld. The Herald: “The playing of the Netherlands Radio Philharmonic was out of this world, particularly from sensationally co-ordinated wind and percussion sections, both expanded to massive proportions. And while Reinbert de Leeuw might not be the best conductor, few could probably match him in this extraordinary music, which is in his blood. A stunning night, searing the memory.”

Het concert werd opgenomen en integraal uitgezonden op 6 oktober 2001 door BBC Radio 3. Festivaldirecteur Brian MacMasters nodigde het RFO meteen uit zo spoedig mogelijk terug te keren in dit festival. Wegens moeizame Hilversumse planningsperikelen – en tot groot ongenoegen van veel RFO-musici – heeft het orkest hier tot op heden geen gehoor aan kunnen geven.

 

John Adams vervangt Edo de Waart

“Dirigent forceert arm, componist leidt orkest” kopte de Haagsche Courant. In de Matinee op de Vrije Zaterdag van 6 oktober 2001 zou het RFO worden geleid door chef-dirigent Edo de Waart. Het programma, mede samengesteld door componist John Adams luidde als volgt:

    Charles Ives – Robert Browning Overture (1908-1912)
    Lou Harrison – Pianoconcert (1985)
    Morton Feldman – Madame Press Died Last Week at Ninety (1970)
    John Adams – Guide to Strange Places (2001), wereldpremière, opdrachtwerk Matinee

De generale repetitie, daags voor het concert, was tevens de camerarepetitie voor de geplande televisieregistratie en orkest en dirigent waren voor die gelegenheid al in concertkleding. Tijdens deze repetitie bleek dat Edo de Waart te kampen had met een plotseling opkomende armblessure. Hij moest noodgedwongen afhaken. John Adams, die al enkele orkestrepetities in Hilversum had bijgewoond (zie foto), werd bereid gevonden om de wereldpremière van zijn eigen stuk te dirigeren, alsmede de werken van Ives en Feldman. Het pianoconcert van Harrison, waarvan de solopartij werd vertolkt door Joanna MacGregor, werd gedirigeerd door Luke Dollman, de kersverse assistent-dirigent van het RFO.

“Wat gemakkelijk op een ramp had kunnen uitdraaien, werd uiteindelijk een feestje” constateerde Erik Voermans in Het Parool. “Het was een mooi programma, scherp, accuraat en met poëzie uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest, dat op vier verschillende manieren werd uitgedaagd tot de sterren te reiken”.
De première van Guide to strange places werd gunstig ontvangen. Anthony Fiumara omschreef het werk in Trouw als een twintig minuten durende dollemansrit en ‘De Sacre van Adams’. Aad van der Ven noemde het in de Haagsche Courant een uitbundige toccata voor orkest, een briljant en boeiend spel van iemand met veel originele ideeën. Hij besluit zijn artikel met: “Gespeeld bovendien door een orkest dat zulke moeilijke, eigenzinnige stukken niet met lange tanden tot zich neemt, zoals menig ander filharmonisch gezelschap, maar er gemotiveerd tegenaan gaat."

Ook in meer algemene zin werd John Adams voor het RFO een ‘gids naar vreemde oorden’, want door het orkest en de artistieke leiding van de Matinee was hij aangetrokken als adviseur op het gebied van Amerikaanse muziek. Dit repertoire zou in de volgende seizoenen uitvoerig aan bod komen.

Daags na deze Matinee speelde het RFO een voorstelling van de opera Jenufa in het Muziektheater. Hier werd Edo de Waart met succes vervangen door Boudewijn Jansen, assistent-dirigent en repetitor van De Nederlandse Opera. Enkele dagen later was De Waart weer voldoende hersteld om de resterende voorstellingen te leiden.

 

Hoogst actuele uitvoering van The Death of Klinghoffer 

Op 20 oktober 2001, veertien dagen na de wereldpremière van Guide to strange places, was er in de Matinee op de Vrije Zaterdag opnieuw een première van John Adams te beleven. Het ging om de eerste uitvoering in Nederland van diens opera The death of Klinghoffer uit 1991. In 1995 presenteerde Edo de Waart met het RFO en het GOK al de koorfragmenten uit deze opera, nu ging het om een concertante uitvoering van het complete werk door dezelfde uitvoerenden.

 

De stof voor deze opera is ontleend aan het kapingsdrama rond het cruiseschip Achille Lauro in 1985. Palestijnse kapers schoten tijdens die actie een Joods-Amerikaanse toerist dood en wierpen hem met rolstoel en al in zee. De librettiste Alice Goodman koos geen partij en liet zowel joden als moslims aan het woord. Juist daarom werd er vooral in Amerika heftig geprotesteerd tegen deze ‘berucht controversiële’ opera, waarin gijzelnemers worden opgevoerd als mensen met argumenten. Toen het werk in Brussel zijn wereldpremière beleefde, kort na de beëindiging van de Golfoorlog, werd juist in Athene een PLO-voorman gearresteerd wegens zijn aandeel in de kaping.

The death of Klinghoffer werd ook bij zijn Nederlandse première op de hielen gezeten door de actualiteit. Slechts enkele weken eerder vonden de aanslagen op het New Yorkse WTC en het Pentagon plaats. In Boston werd daarom een geplande uitvoering van de koorfragmenten uit deze opera afgelast en vervangen door Berlioz’ Symphonie fantastique. Er werd gevreesd voor publieke repercussies en: “het publiek heeft in deze tijden muziek van troost en bemoediging nodig”. Voor Jan Zekveld, programmeur van de Matinee, was er echter geen enkele reden om de uitvoering af te gelasten, integendeel: een werk als Klinghoffer moet juist nu tot klinken worden gebracht.

Volkskrant-recensent Roland de Beer constateerde: “Als er één muziek is die wil ‘troosten en bemoedigen’, dan is het die van Klinghoffer, en als er één onderdeel is waar de sublimering zich concentreert, dan is dat het kooraandeel”. Volgens De Beer speelde de uitvoering zich af “in een van serene bekommernis doortrokken atmosfeer”.
Kasper Jansen noemde in NRC Handelsblad The death of Klinghoffer een even klassieke opera als al die andere opera’s die ‘gewone’ tragische menselijke problemen behandelen. “Oorlogen, terreur, kapingen, ontvoeringen, vergeldingen en executies waren al ‘gewoon’ ver vóór 11 september 2001”. De uitvoering stond volgens hem orkestraal en vocaal op zeer hoog niveau: “het is muziek waarin dirigent Edo de Waart hoorbaar enthousiast gelooft”.
In Trouw eindigde Anthony Fiumara zijn recensie met: “ Als De Waart één ding met zijn prachtige uitvoering wist duidelijk te maken, was het wel dat Adams met zijn opera aan het journalistieke hier-en-nu is ontsnapt. De personages ontstegen hun actuele context en konden veeleer worden beschouwd als archetypen, verwikkeld in al even archetypisch-menselijke vraagstukken. Een ware troost in deze barre tijden”.

 

Presentatie RFO - ‘The atlantic orchestra’

Bij zijn entree in 1998 als manager van het RFO had Stefan Rosu zijn visie al uiteengezet hoe een orkest in het buitenland ‘beter verkocht’ kon worden. Met Peter Gartiser van de ‘Werbeargentur PANTOS’ uit München, en in nauw overleg met het orkest, ontwikkelde hij daarna een concept voor een intensief PR-beleid met een nieuw logo, nieuw kleurenpakket en een nieuwe naamgeving voor het orkest. In oktober 2001 gaf hij een toelichting in de eveneens in nieuwe huisstijl gestoken krant van het RFO, nu kortweg geheten: INFORMEEL - een uitgave van het Radio Filharmonisch Orkest Holland, the atlantic orchestra.

“Uitgangspunt waren de vragen: wat is het RFO vandaag en wat wil het worden. In Nederland is het een van de prominente orkesten, in de rest van Europa nog relatief onbekend. Onze ambitie is, ook internationaal een toppositie te gaan bekleden. Dat kunnen we. In november maken we een tournee met Mahler 3 naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Als je je op de Duitse markt profileert, ben je al een heel stuk op weg. Het is een meerjarenplan, er zijn plannen voor een Adams-productie in Carnegie Hall en er ligt een uitnodiging uit Japan op tafel. In Rotterdam kan het RFO een Amerikaanse serie ontwikkelen, Noord-Amerikaanse muziek kan een van de peilers van onze programmering worden. Onze bijzondere producties van de Matinee moeten we ook op de internationale podia aanbieden. We zitten in het midden van de Randstad, maar ook dichtbij zee, de ‘Atlantic’, en wij willen naar de overkant”.

Peter Gartiser verklaarde zijn ontwerp als volgt:” In het nieuwe logo zijn een paar specifieke kenmerken van het RFO terug te vinden: Atlantic verwijst naar de ambitie richting Amerika en de topografische ligging aan zee, de golven eveneens naar de Noordzee en de radiogolven. De toevoeging Holland is bedoeld voor het buitenland.”

 

Tournee met Mahler III

Van 10 tot en met 22 november 2001 maakte het RFO een tournee door Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. De reis voerde langs de volgende steden Wiesbaden, Regensburg, Salzburg, Sankt Gallen, Montreux, Genève, Zürich, Bern en Frankfurt. Op het programma stond slechts één compositie: Gustav Mahlers omvangrijke Derde Symfonie. Medewerking werd verleend door de alt Bernarda Fink, het Groot Omroepvrouwenkoor en steeds wisselende plaatselijke jongenskoren. Het geheel stond onder leiding van chef-dirigent Edo de Waart.

 

 

Deze tournee kan worden beschouwd als de gelukkigste en meest succesvolle, die het RFO heeft meegemaakt. De recensies waren zonder uitzondering jubelend. Niet alleen de hoog ontwikkelde speelcultuur en homogene klank van het orkest werden steeds geroemd, maar ook de prestaties van afzonderlijke orkestgroepen en individuele musici.


“Glücklich das Orchester das sein Potenzial derart zu nutzen vermag. Und glücklich das Land, dessen Rundfunk über ein solches Orchester verfügt. Jubel und Bravos im voll besetzten Saal”. Zo eindigde de recensie in de Neue Zürcher Zeitung, die niet naliet te vermelden dat Edo de Waart kort na het begin van de symfonie de uitvoering moest afbreken en opnieuw moest beginnen, omdat een snerpende ringtone (“We wish you a merry Christmas…”) de concentratie van musici en publiek ernstig verstoorde.

 

Volgens de Frankfurter Rundschau biedt de lengte van Mahlers Derde Symfonie nog geen garantie voor een lange adem: “Wirksam wird sie erst, wenn so erstaunlich perfekte Musiker wie die aus Holland sie in den Raum stellen, hier in die Alte Oper. Wenn auch nach knapp zwei Stunden die Soloflöte völlig gelöst klingt und das Blech sich keinen einzigen Fehltritt erlaubt, statt dessen die Präzision und Klangkraft atemberaubend ist. Selbst in der Mahler-Stadt Frankfurt, wo das heimische Radio-Sinfonie-Orchester einst den internationalen Maßstab für diese Art der Großsinfonik gesetzt hatte, kann sowas noch Verblüffung auslösen.” In hetzelfde artikel waagde de recensent zich aan de volgende vergelijking: “Wenn das Concertgebouw-Orchester aus Amsterdam der Gouda ist, überall im Angebot, dann findet mann das in NL-1200 AC Hilversum ansässige Radioorchester lediglich an ausgesuchten Käsetheken. Aber die 115 Musiker brauchen sich wahrlich nicht hinter den bekannten Kollegen aus Amsterdam verstecken.”

 

RFO begeleidt liefdesliederen in Nederlandse Muziekdagen

Leo Samama was de centraal programmeur van de Nederlandse Muziekdagen 2001 en hij wist op bijzonder originele en verrassende wijze een aantal programma’s te koppelen aan de uitvoerende ensembles. Zo opende het Metropole Orkest op 13 december 2001 de reeks concerten met composities van David Dramm, Maarten van Norden, Nathalie Boogers en Theo Loevendie, niet meteen het repertoire dat je bij dit orkest zou verwachten.

Het RFO trad op 15 december aan in de ‘Avond van de Liefde’. Het programma bevatte een aaneenschakeling van hoogtepunten uit het Nederlandse Liefdeslied, bepaald geen dagelijkse kost voor het orkest. Liefdesliederen van onder anderen Ramses Shaffy, Robert Long, Toon Hermans en Jules de Corte waren voor de gelegenheid smaakvol gearrangeerd door Jurre Haanstra, Erik van der Wurff en Henk Huizinga. Het solistenkwartet bestond uit een buitengewoon gemêleerd gezelschap: operazangeres Miranda van Kralingen, cabaretière Mylène d’Anjou, musical-acteur Stanley Burleson en jazz-zanger Edwin Rutten. Het orkest stond die avond onder leiding van vaste gastdirigent Lawrence Renes (foto).


Verder naar 2002    Terug naar het overzicht