RFO Geschiedenis 1997

Rozjdestvensky, de clown onder de dirigenten

Op zaterdag 15 februari 1997 speelde het RFO in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg onder leiding van Gennady Rozjdestvensky. Tijdenlang was deze Russische sterdirigent uit het Nederlandse muziekleven verdwenen en het was geen geheim waarom: uit bijgeloof. In Amsterdam durfde hij niet meer te komen, nadat zijn landgenoten Kirill Kondrashin en David Oistrach er plotseling de dood vonden. In 1994 raapte hij de moed bijeen en bezocht hij toch het Amsterdamse Concertgebouw. Niet om er te dirigeren, maar als juryvoorzitter van het derde Internationale Kirill Kondrashinconcours. Zijn hart bleef tot zijn verbazing gewoon tikken. Daarna dirigeerde hij weer met zichtbaar plezier de grote Nederlandse orkesten, waarbij hij het Amsterdamse podium aanvankelijk nog wel vermeed. Van 1996 tot 2007 was hij met enige regelmaat te gast bij het RFO.

Rozjdestvensky wordt wel omschreven als de clown onder de dirigenten. Niet gehinderd door technische belemmeringen veroorloofde hij zich een bewegingstaal en mimiek die aan die omschrijving volledig recht doet. Zijn programma’s bevatten vaak een of meer avontuurlijke werken, soms stukken waarvan nog nooit iemand had gehoord. Van repeteren hield hij niet, zijn orkesten moesten genoegen nemen met een minimum aan repetitietijd, waarvan hij zelfs onderweg nog wel eens een dag afsnoepte. Weinig oefening baart echte kunst, zo ongeveer luidde zijn credo. Sommige musici stoorden zich daar mateloos aan, voor anderen was hij echter een groot genie.


De musici van het RFO hadden zich in februari 1997 dus op een kort en spannend weekje ingesteld, maar tot hun grote verbazing begon de maestro ineens wel intensief te repeteren. En dat nog wel op een repertoirestuk: Rimski-Korsakovs Shéhérazade. Anders, met meer hectiek, verliep dat met de andere, veel minder bekende werken op het programma: een zesdelige suite uit de variété-voorstelling Hypothetically murdered en het Concert voor piano, trompet en strijkorkest, beide van Dimitri Sjostakovitsj. Solisten waren Viktoria Postnikova (ofwel mevrouw Rozjdestvensky) en RFO-trompettist Willem van der Vliet. Een dag later werden beide werken van Sjostakovitsj herhaald in, jawel, het Amsterdamse Concertgebouw. In plaats van Shéhérazade vermeldde het programma daar een onbekend melodrama voor spreekstem, vier zangers en orkest naar het radiodrama The Rescue of Penelope van Benjamin Britten. “Handig gemaakt, maar niet meer dan goede, zij het af en toe wat pompeuze gebruiksmuziek”, aldus Aad van der Ven in de Haagsche Courant. Maar: “De uitvoering was even boeiend en briljant als die van het andere herontdekte werk op dit programma”.

Twee maanden later kwam Rozjdestvensky weer terug bij het RFO en speciaal voor die gelegenheid schreef hij een spetterende bewerking van John Philip Sousa’s overbekende mars Stars and stripes forever, waarin het orkest soms plotseling stil viel (solo voor de dirigent!) en met een hoofdrol voor de flexatone.

 

Lekker gespeeld, het jubileumboek van het RFO

Op 22 mei 1997 overhandigde Bente-Helene van Lambalgen aan Edo de Waart het door haar geschreven boek over het RFO. De musicologe, en journaliste van Het Parool, had de opdracht gekregen ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het RFO een jubileumboek te schrijven dat anders is dan andere. Het kreeg de titel: Lekker gespeeld. Het menselijke en muzikale gezicht van een temperamentvol orkest. Bente-Helene had daarvoor een reeks openhartige gesprekken gevoerd met orkestleden en het orkest in het seizoen 1995/’96 op de voet gevolgd. Dankzij financiële steun van de hoofdsponsors Arthur Andersen en het VSB Fonds kon ze met de musici lief en leed delen, repetities en concerten bijwonen en zelfs mee op tournee. Toen zij in het Concertgebouw door een suppoost gevraagd werd of zij de catacomben wel betreden mocht, sprong bassist Guus Grentzius voor haar in de bres met de woorden: “Zij hoort bij ons”. Lekker gespeeld is een bijzonder boek geworden, waarin Van Lambalgen de problemen van individuele musici koppelde aan het sterke “wij-gevoel” dat de ruim honderd eenlingen bijeen hield. Een momentopname.

Halverwege het traject ontstond bij het RFO de behoefte om ook de rijke geschiedenis van het orkest te belichten. Daarom werd achterin een door drs. Rob Overman samengestelde Kroniek van het RFO 1945-1997 opgenomen, en met medewerking van Harry van Meurs en Adriaan van’t Wout ook overzichten van orkestbezettingen, dirigenten, uitgevoerde Nederlandse composities, complete opera’s en Mahler-symfonieën, alsmede optredens van het RFO in het Holland Festival van 1945 tot 1997. De samenstelling hiervan werd bemoeilijkt door het feit dat in 1984 het archief wegbezuinigd was. Teneinde dit enigszins te herstellen werd op 25 juni 1997 het Historisch Genootschap Radio Filharmonisch Orkest opgericht dat sindsdien door vrijwilligers wordt gerund.

In de Volkskrant besteedde Hans Heg veel aandacht aan het boek en citeerde uitvoerig uit de inhoud. Hij onderschreef het initiatief om zo het RFO met zijn historie als één der toporkesten van Nederland nog eens onder de aandacht te brengen. “Het werd tijd dat deze positie eindelijk ook in de vorm van een boek (plus cd en bijlagen) is vastgelegd. Eindelijk gerechtigheid voor het ‘studio-orkest’, dat men in het verleden wel eens heeft willen verbieden ook in het openbaar op te treden, want dat zou maar ongewenste concurrentie voor de andere orkesten zijn. ‘Hilversum’ en het RFO hebben teruggevochten, een nauwelijks genoeg op waarde te schatten verrijking van ons muziekleven”.

Lekker gespeeld is mede tot stand gekomen dankzij een aanvullende financiële bijdrage van het K. F. Hein Fonds en werd uitgegeven bij Ambo/Amsterdam, ISBN 90 263 1458 2. 

 

Edo de Waart dirigeert Jenůfa bij DNO

In het kader van het Holland Festival 1997 dirigeerde Edo de Waart het RFO tussen 1 en 26 juni 1997 de opera Jenůfa van de Tsjech Leoš Janáček in het Muziektheater te Amsterdam. Voor zowel het orkest als de dirigent betekende dit een première. Menigeen keek daarom met argusogen naar de verrichtingen van De Waart, de beoogde nieuwe chef-dirigent van de Nederlandse Opera, die vanaf 1999 nog meerdere Janáčeks zou gaan leiden.

Janáček werkte negen jaar aan Jenůfa. Het is geen licht verteerbaar stuk. Twee halfbroers zijn verliefd op hetzelfde boerenmeisje Jenůfa, die zwanger is geraakt van één van hen. Haar stiefmoeder, de kosteres van het dorp, tracht de familie-eer te redden door het pasgeboren kind te vermoorden. Als dat uitkomt wordt Jenůfa door het dorpsvolk beschuldigd totdat de kosteres haar daad bekent. De première vond plaats in Brno in 1904, maar pas in 1916 werd het werk in Praag uitgevoerd nadat Janáček wijzigingen had aangebracht. Het Nationaal Theater vond de opera muzikaal te nieuwerwets, zonder eenheid van stijl, inhoudelijk te primitief en atavistisch in haar onverbloemde realisme.

Kasper Jansen schreef in de NRC: “Edo de Waart, die deze week officieel zal worden benoemd tot de toekomstige chef-dirigent van de Nederlandse Opera, leidt hier het Radio Filharmonisch Orkest waarvan hij chef-dirigent is. De Waart en zijn uitstekend spelende orkest halen hetzelfde zeer hoge niveau dat zij hier eerder in Massenets Werther vertoonden: een muzikale uitbeelding en onderstreping van de handeling die de zaal zonder een moment van spanningsverlies in de greep houdt.” Aad van der Ven (Haagse Courant): “[…] een fascinerende productie, die zowel muzikaal als scènisch op een hoog niveau staat. Edo de Waart geeft de emotionele, heftige, soms ook poëtische opwellingen in het orkest prachtig weer. Hij krijgt daarbij ook alle medewerking van het Radio Filharmonisch Orkest.” Roland de Beer (de Volkskrant): “Edo de Waart toont in deze oerversie een goed instinct voor de uitersten van het verstilde gebed en de demonische climax. Waar het gaat om minder nadrukkelijke schrijningen, om de melancholische tussentinten waarin Janácek zo excelleert, blijft vooralsnog het een en ander liggen.” Het Financieel Dagblad: “[…] In de orkestbak het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart. Er wordt ronduit magistraal gemusiceerd. Dat het RFO affiniteit heeft met opera, wordt overigens al sinds jaar en dag bewezen in de Zaterdagmatinees in het Amsterdamse Concertgebouw”.

 

Oprichting Historisch Genootschap Radio Filharmonisch Orkest

Op 25 juni 1997 werd het Historisch Genootschap Radio Filharmonisch Orkest opgericht en daarmee werd een belangrijke stap gezet naar het herstel van het in 1984 als gevolg van de eerste omroepbezuinigingen opgeheven historisch archief. De groep “spitters” bestond uit een gemêleerd gezelschap te weten: Adriaan van ‘t Wout (voorzitter / oud-orkestlid), Mieke Bours (secretaris / kunsthistorica), Rob Meyn (penningmeester / oud-orkestlid), Rob Overman (musicoloog, manager RFO), Robert Tempelaar (lid RFO) en Ronald Vermeulen (musicoloog). Het doel van het genootschap kan worden samengevat als het opnieuw bijeenbrengen van het her en der verspreide beeld-, geluid- en geschreven materiaal van en over het RFO. Omdat gevreesd werd dat van de periode 1945-1955 nog het minst bewaard gebleven zou zijn, begon het genootschap voortvarend om de nog in leven zijnde orkest- en stafleden uit de beginjaren van het orkest te interviewen. Verder werd er een oproep gedaan aan iedereen die thuis nog oude programmaboekjes, foto’s, films, recensies, contracten of notulen van vergaderingen had liggen, om vooral niets weg te gooien: “wij komen het ophalen; desnoods met een bestelwagen!” Het genootschap speelde met de gedachte om de belangrijkste historische feiten ooit in een boek te publiceren. De mogelijkheden van internet werden toen kennelijk nog onderschat. Nu kunnen de samenstellers van deze site putten uit een nog steeds groeiend archief.

Bijgaande foto is één van die bewaarde RFO-documenten en toont de Hilversumse Jacob van Campenlaan in 1953, volgens het tijdschrift Panorama destijds de muzikaalste laan ter wereld, omdat er zoveel omroepmusici woonden. Door RFO-musici werd de laan ook wel, met een ludieke verwijzing naar hun chef-dirigent, de Van Kempenlaan genoemd.

 

Twee nieuwe assistent-dirigenten voor het RFO

Op 19 september 1997 werd bekend gemaakt dat bij het RFO twee nieuwe assistent-dirigenten waren benoemd. Het betrof de Nederlander Micha Hamel (27) en de Duitser Alexander Liebreich (29), die voor de seizoenen 1997/’98 en 1998/’99 waren aangesteld om chef-dirigent Edo de Waart en gastdirigenten te assisteren in operaproducties, symfonische programma’s en cd-opnamen. Voorts werden zij ook in de gelegenheid gesteld om samen te werken met de andere ensembles van de omroep.

De aanstelling van componist/dirigent Micha Hamel werd gefinancierd door de eerste toekenning van de Bernard Haitink Beurs (zie foto), ter beschikking gesteld door de Nederlandse Aardolie Maatschappij te Assen. Deze sponsoring, die jaarlijks voorzag in een bedrag van 50.000 gulden, ontstond uit bezorgdheid over het gebrek aan mogelijkheden voor jonge dirigenten om praktijkervaring op te doen, toen de orkesten de assistenten om financiële redenen afschaften.

In 1993 blies het RFO het assistent-dirigentschap nieuw leven in met de benoeming van Lawrence Renes, die deze functie bekleedde tot 1995.

 

Verrassend debuut van Alexander Liebreich

“Mittwoch, den 22. Oktober. 8:30 Uhr. Das Telefon klingelt. Am anderen Ende Kathinka: “Good morning, Alexander. Edo de Waart is ill. We would like you to conduct the Bruckner rehearsal this morning." Zo begon het dagboekje dat de kersverse assistent-dirigent Alexander Liebreich enkele dagen bijhield voor het personeelsblad RFO-Informeel. Na Kathinka’s woorden “Come on, Alexander, that’s why we hired you!” begaf hij zich verdwaasd naar Hilversum. Een uur later zou hij voor het eerst in zijn leven een Brucknersymfonie dirigeren: de Vijfde. “Für erfahrene Orchesterleiter mag das kein Problem sein; ich wünschte mir jedoch für jedes Werk ein paar Monate Vorbereitungszeit, und für Bruckner könnten auch Jahre nicht schaden."

Een dag later bleek dat Edo de Waart te ziek was om de Matinee van zaterdag 25 oktober 1997 te kunnen dirigeren. Het RFO kon geen beroep doen op de vaste gastdirigent Hans Vonk. Het toeval wilde namelijk dat Vonk in hetzelfde weekeinde dezelfde symfonie zou dirigeren bij het Rotterdams Philharmonisch. Er zat niets anders op, Alexander Liebreich (foto, midden) moest de sprong in het diepe wagen en had nog twee dagen om zich met het orkest voor te bereiden op zijn debuut in het Amsterdamse Concertgebouw. Voor de Nederlandse muziekpers was het uiteraard een mooie gelegenheid om de uitvoeringen van Vonk/RPhO en Liebreich/RFO met elkaar te vergelijken. Frits van der Waa noteerde in De Volkskrant: “Het was bepaald verrassend met hoeveel gezag en zelfverzekerdheid hij (Liebreich, red.) een Vijfde Bruckner uit het orkest opdiepte die het niveau van de Rotterdamse uitvoering nauwelijks ontliep. De Waart kan in alle rust uitzieken: zijn orkest is in goede handen”. “Liebreich deed het lang niet slecht – wat zeg ik, hij deed het hartstikke goed”, meende Erik Voermans in het Parool, waarna hij de lezer trakteerde op een vergelijkend warenonderzoek aan de hand van maatcijfers uit de partituur. Zijn conclusie: “Bruckner-specialist Vonk leverde de vertrouwde kwaliteit, Liebreich toonde zich een grote belofte”. 

 

Première Roaring Rotterdam

Roaring Rotterdam. Onder deze titel presenteerde de AVRO en de Rotterdamse Doelen hun vijfdelige RFO-concertserie in het seizoen 1997/’98. Samensteller Kees Vlaardingerbroek wilde hiermee een subjectief beeld van Rotterdam schetsen, “een stad met een geheel eigen cultuur die vaak gekarakteriseerd wordt in termen als dynamisch, open, no nonsense, flexibel en slagvaardig."

De serie ging van start op 17 november 1997. Het RFO stond die avond onder leiding van Gerd Albrecht en opende het concert met een wereldpremière van Joep Franssens (foto), met als titel… Roaring Rotterdam! Met dit werk beoogde de componist de muur te slechten die de ‘lichte’ van de ‘serieuze’ muziek scheidt. Met een opzichtig citaat uit Smetana’s Vltava ('De Moldau') leek Franssens te willen benadrukken dat Rotterdam ook wel het Manhattan aan de Maas wordt genoemd. Deze gedachte sloot in ieder geval perfect aan bij het volgende werk op het programma, de eerste uitvoering in Nederland van Manhattan Concerto, een concert voor vier slagwerkers en orkest van de Duitse componist Siegfried Matthus. De solopartijen werden hierin vertolkt door de RFO-slagwerkers Henk de Vlieger, Hans Zonderop, Paul Jussen en Nick Woud en dat leverde volgens Trouw-recensent Adriaan Hager vooral een spectaculair kijkspel op. Na de pauze klonk Antonin Dvoraks Symfonie nr. 9, die door zijn ondertitel 'Uit de Nieuwe Wereld' in de opzet van de serie paste.

Het volgende concert in de reeks vond plaats op 8 december, waar Hans Vonk het RFO dirigeerde in Sjostakovitsj’ Eerste Vioolconcert (solist: Jaap van Zweden) en de Derde Symfonie van Beethoven. Het openingswerk van dit concert, de Suite panaméene van Kurt Weill vertrouwde Vonk toe aan assistent-dirigent Alexander Liebreich.

De live-opname van de première van Roaring Rotterdam verscheen in 2008 op de cd Franssens – Works for Orchestra & Choir, Etcetera KTC 1321.

 

RFO presenteert unieke Wagner cd-box

Toen Rob Overman in 1993 als RFO-manager aantrad hadden Edo de Waart en het orkest al flink aan de weg getimmerd met twee symfonische compilaties van Wagner-opera’s bewerkt door RFO-slagwerker Henk de Vlieger: The Ring – an orchestral adventure (1991) en Parsifal - an orchestral quest (1993). Te weinig, vond Overman. Met deze twee arrangementen vul je geen cd-box, er moest er nog minstens één bij. En dus werd De Vlieger opnieuw aan het werk gezet. In november 1994 voegde hij in opdracht van het RFO een derde bewerking toe aan de reeks: Tristan & Isolde - an orchestral passion, die in april 1995 werd opgenomen. Op 9 december 1997 was het dan zover. Overmans droom werd werkelijkheid. Onder grote belangstelling van de Nederlandse muziekpers en de RFO-musici werd in MCO Studio 5 de 3-cd box Richard Wagner – An Orchestral Adventure ten doop gehouden.

Het werd een bijzonder feestje met een forum, geleid door Ad ‘s-Gravenzande. Hierin werden de makers van het ‘Gesamtkunstwerk’ aan de tand gevoeld. Behalve De Waart en De Vlieger waren dat fotograaf Erwin Olaf, die de box voorzag van een serie opzienbarende foto’s en publicist Martin van Amerongen, van wie een fraai boekje met drie essays over de Wagner-opera’s aan de cd’s was toegevoegd. Het forum werd afgesloten met een act door één van de modellen van Erwin Olaf, een goed geproportioneerde, schaars geklede Parsifal, compleet met levenloze zwaan. Tijdens de borrel die volgde werden de foto’s van Olaf op posterformaat tentoongesteld.

De cd-box verscheen onder het BMG-label RCA Red Seal, aanvankelijk alleen in Nederland, maar vanaf februari 1998 ook in het buitenland. In zowel de vaderlandse als de internationale pers werden De Vliegers bewerkingen weggehoond of bejubeld, vrijwel niemand waagde zich aan een gematigd oordeel. In recensies uit Engeland en de VS moesten vooral de ‘schokkende’ foto’s van Erwin Olaf het ontgelden. Maar over de prestaties van orkest en dirigent schreef men niets dan lovende woorden.


Verder naar 1998    Terug naar het overzicht