RFO Geschiedenis 1993

Ombuiging en reorganisatie

Minister d’Ancona van WVC (foto) presenteerde op 19 februari 1993 haar plannen aan de Tweede Kamer met betrekking tot de Nederlandse orkesten en de opera. Zij stelde voor om niet de door NOS/NOB voorgestelde 10 miljoen, maar de door haar eerder gevraagde 5 miljoen te bezuinigen op het budget van het MCO. Het Muziekcentrum van het NOB kreeg bovendien een jarenlange garantie voor het resterende budget van 52,5 miljoen gulden per jaar, verzelfstandiging van het Muziekcentrum in een stichting, een verbeterde huisvesting en een organisatorisch en artistiek verantwoorder relatie met Radio 4. Artistiek directeur en chef-dirigent Edo de Waart was onder de omstandigheden nog redelijk tevreden over het ministeriële besluit: “Inleveren en inkrimpen doet altijd pijn, maar er is geen sprake van collectief ontslag. De musici kunnen zich de komende jaren volledig concentreren op de muziek en voor het eerst kan een meerjarenbeleid ook werkelijk worden uitgevoerd.”

Op 24 maart 1993 ging de Tweede Kamer akkoord met het plan van de minister. Vanaf 1 januari 1994 zou de ombuiging tot stand komen via een ingrijpende efficiency-operatie. Binnen vijf jaar moest een geleidelijke uitbreiding van het RFO van 98 naar 108 formatieplaatsen plaatsvinden, alsmede een inkrimping van het Radio Symfonie Orkest naar 84 musici. Met deze reorganisatie moest de omlegging van 5 miljoen uit het MCO-budget ten gunste van het CoBo-Fonds t.b.v. filmproducties worden gerealiseerd.

 

Rob Overman wordt de nieuwe manager van het RFO

“Ik ben een terrier”, introduceerde drs. Rob Overman zichzelf in het eerste nummer van RFO-Informeel, het blad van en voor leden van het Radio Filharmonisch Orkest (dat in november 1992 zou verschijnen). Overman was op 1 juli 1993 Aafje Terwey opgevolgd als manager van het orkest. De afgestudeerde musicoloog doelde met die kwalificatie op de taken die hem te wachten stonden. “Al is de klus nog zo groot, ik zet er mijn tanden in en bijt door.” Gezien zijn enorme ambitie beloofde dat veel voor de toekomst van het RFO. Ervaring als manager had hij opgedaan bij het orkest De Volharding van Louis Andriessen en Willem Breuker. “Dat waren drie zware jaren, een leerschool die je nergens kunt krijgen.” Volgens Overman kwam hij op een prachtig moment bij het RFO binnen. “Het orkest heeft de wind mee, er lijkt rust te zijn in de tent, politiek gezien. Er ontstaan nieuwe mogelijkheden voor artistiek beleid. Dus de stroomversnelling waarin het RFO zit sinds de komst van Edo de Waart, kan in de komende jaren alleen nog maar toenemen. Als radio-orkest hebben we bij uitstek de mogelijkheid om trendsetter te zijn met nieuwe artistieke processen, grensoverschrijdend naar andere cultuuruitingen toe, omdat we geen rekening hoeven te houden met een volle zaal. Daar wil ik mijn bijdrage aan leveren, mij krijgen ze niet meer weg !”

 

Concert in Bonn van het RFO met eigen solisten

In het 37e seizoen van de concerten in de Beethovenhalle te Bonn verzorgde het RFO onder leiding van Edo de Waart op 26 oktober 1993 een gastoptreden met de Sinfonia Concertante in Bes opus 84 voor viool, cello, hobo, fagot en orkest van Joseph Haydn en na de pauze de Symfonie nr. 1 van Gustav Mahler, Titan. Hetzelfde programma werd al eerder, op 14 oktober, uitgevoerd in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg voor de TROS.

De vier solisten voor het werk van Haydn kwamen uit de eigen gelederen van het RFO, namelijk concertmeester Ronald Hoogeveen, solo-cellist Floris Mijnders, eerste hoboïst Maarten Dekkers en eerste fagottist Johan Steinmann. Zij kregen terecht veel bijval van het publiek en oogstten grote waardering van hun collega’s. Het concert was georganiseerd door het impressariaat Konzert Rabofsky.

 

 

Edo de Waart dirigeert Lohengrin

Op 6 november 1993 zetten Edo de Waart en het RFO hun Wagnertraditie voort met een concertante uitvoering van Lohengrin in de Operaserie van de VARA-Matinee. Als solisten traden aan Kurt Rydl (König Heinrich), Thomas Sunnegårdh (Lohengrin), Deborah Voigt (Elsa), Sergei Leiferkus (Telramund), Gabriele Schnaut (Ortrud) en Eike-Wilm Schulte (heraut). Het GOK werd versterkt door het Operakoor van Leipzig.

Kasper Jansen schreef in NRC Handelsblad: “Met het eigen orkest systematisch, intensief en bevlogen werken aan langjarige projecten schept resultaten die uitgroeien tot indrukwekkende tradities. Zo bouwt Edo de Waart tijdens de Matinee op de vrije zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw aan een Mahler-cyclus die allengs imposanter wordt. En al eerder begon hij aan een Wagnertraditie met een concertante uitvoering van Der Ring des Nibelungen, vorig jaar voortgezet met een zeer succesvolle Parsifal. Afgelopen zaterdag was er Lohengrin, zó fantastisch uitgevoerd dat zoiets zonder die vorige Wagner-evenementen onmogelijk leek. Het was in de toch al zo rijke opera-historie van de Matinee opnieuw een fabuleus hoogtepunt, vergelijkbaar met die overweldigende Les Troyens van Berlioz, die De Waart deze zomer bracht en met de ook door hem gedirigeerde Strauss’ Die Frau ohne Schatten in 1990, een gebeurtenis van enorm kaliber. De Waart lijkt in zijn samenwerking met het voortreffelijk en geïnspireerd spelende Radio Filharmonisch Orkest inmiddels het stadium van begenadigd kunstenaarschap te bereiken. En nu De Waart zich onlangs nog voor tien jaar aan het Muziekcentrum van de Omroep heeft verbonden, kan nog veel goeds worden voorspeld.”

 

Personeelsblad RFO-Informeel opgericht

Op initiatief van altviolist Frank Brakkee verscheen in november 1993 de eerste editie van RFO-Informeel. Dit tijdschrift, waarvan Brakkee hoofdredacteur werd en de redactie geheel bestond uit musici van het orkest, was bestemd voor het personeel in en om het RFO en zou driemaal per jaar verschijnen. Behalve musici en staf, ontvingen ook de productieafdelingen van de omroepen en gepensioneerde RFO’ers het blad. In het eerste nummer, met een oplage van 200 exemplaren, werd vooral stilgestaan bij het plotselinge overlijden van eerste fluitist Emile Biessen tijdens de zomervakantie van 1993. Verder, naast een aantal vaste rubrieken, een diepte-interview met de kersverse RFO-manager Rob Overman en een terugblik op het seizoen 1992/93. Ondanks alle aanvankelijke scepsis werd het blad een succes en bleef het uiteindelijk twaalf jaar bestaan.

 

Wereldpremière van Tristan Keuris’ Laudi in Utrecht

Als afsluiting van het openingsconcert van de Nederlandse Muziekdagen ging op vrijdag 17 december 1993 in Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht Laudi van Tristan Keuris in première. Deze compositie uit 1993, met als ondertitel ‘Symfonie’, is gebaseerd op teksten uit de dichtbundel Alcyone van d’Annunzio waarin de seizoenen centraal staan. De hoop van het voorjaar en de weemoed van het najaar werden vertolkt door Jard van Nes (mezzosopraan), David Pittman-Jennings (bariton), John-Edward Kelly (altsaxofoon), het RFO en GOK, het geheel o.l.v. David Porcelijn. In de liederen en recitatieven vertellen de solisten een verhaal dat in functioneel muzikaal opzicht apart staat van het koor en orkest. Als voorbode van de herfst speelt de altsaxofoon, die later vanuit de verte ook de winter aankondigt. Het Matinee-publiek in Amsterdam kon een dag later met dezelfde uitvoerenden eveneens kennismaken met Laudi. De VARA, in wiens opdracht het werk geschreven was, had de première welwillend afgestaan aan Utrecht.

Tristan Keuris (1946-1996) gold al tijdens zijn leven als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van na de Tweede Wereloorlog. Dit is des te opmerkelijker, omdat hij deze positie wist te bereiken door een respectvolle benadering van het aloude ambacht. Zijn voorbeelden waren enerzijds Webern, Mahler en Stravinsky, zijn belangrijkste leermeesters echter Ton Hartsuiker, Jan van Vlijmen en Ton de Leeuw. Composities van hem klinken organisch en harmonisch, de vorm is meestal traditioneel. In tegenstelling tot zijn tijdgenoten die zich overgaven aan serialisme, was Keuris meer geïnteresseerd in de werking en kleur van klank.

De reacties op Laudi waren verschillend. Over de Amsterdamse uitvoering schreef Frits van der Waa in de Volkskrant: “Keuris blijft een componist met gouden handjes, en Laudi is ontegenzeggelijk een knap stuk. Het is schilderachtig, boeiend door afgewogen spanningsbogen, verfijnde harmonieën, en de uitvoering was om door een ringetje te halen. Maar de expressiemiddelen zijn zwoel, volvet-romantisch en tweedehands […] Het is absurd om van hedendaagse componisten steeds maar nieuwe vernieuwingen te blijven verwachten, maar in Laudi is het avontuur wel heel ver te zoeken.” Katja Brooijmans daarentegen waardeerde de uitvoering als volgt: “Het kennerspubliek in Utrecht (voornamelijk musicologen, recensenten en musici) beloonde de uitvoering van Laudi met een staande ovatie. Dit werk zou ik wel op cd willen hebben…!” Brooijmans werd op haar wenken bediend. Op 24 en 25 mei 1996 werd door het RFO met dezelfde solisten, eveneens o.l.v. David Porcelijn en in aanwezigheid van de componist, een studio-opname gemaakt van Laudi, die door het label Emergo op cd werd uitgebracht en die in 2009 ook deel uitmaakte van de uit 11 cd’s bestaande box: Tristan Keuris Complete Works van QuattroLive.

 

Verder naar 1994    Terug naar het overzicht