RFO Geschiedenis 1991

De ideale Schoppenvrouw

Fenomenaal, ideaal, sensationeel, overrompelend, overweldigend. Superlatieven schoten te kort in de recensies over de Vara-matinee van 19 januari 1991. Valeri Gergiev dirigeerde in het Amsterdamse Concertgebouw de opera Schoppenvrouw van Tsjaikovski met het RFO, het GOK en het Stedelijk Helmonds Concertkoor. Hij bracht daarvoor vier van de beste solisten mee van zijn Kirovtheater uit Leningrad: Larissa Sjevtsjenko (Liza), Olga Borodina (Polina), Aleksej Stebljanko (Herman) en Sergej Leiferkus (Tomski). De eerbiedwaardige veterane mezzo Rita Gorr en de nog zeer jeugdige Dmitri Hvorostovski traden aan voor bijrollen. Verder was het omvangrijke solistenteam aangevuld met respectabele Nederlandse krachten als Albert Bonnema, Jan Alofs, Julian Hartman en Joke de Vin.

 

 

Bas van Putten schreef in Het Parool dat de concertuitvoering insloeg als een bom: “een bloedstollend drama en een vocaal spektakelstuk van de eerste orde, door het RFO voorzien van grommende uitroeptekens en door het GOK majestueus besloten in de geest van de Russisch-orthodoxe liturgie.” Hij roemde vooral de bijdrage van Rita Gorr, die met haar enorme persoonlijkheid alle vocale tekortkomingen van een zangeres op leeftijd volledig deed vergeten: “Haar geestenscène in de derde akte, dankzij Gergievs meer dan suggestieve directie ver verheven boven het niveau van conventionele hokuspokus, was ronduit huiveringwekkend.”

 

NRC-recensent Kasper Jansen noemde Gergiev een op elk moment gedreven en maximaal inspirerend dirigent, die een fantastisch reagerend muzikaal apparaat tot zijn beschikking had: het RFO en het GOK. “Men kon het concert ook beluisteren als een demonstratie tegen de aanbeveling van het adviesbureau McKinsey, om de omroep te redden door onder andere de Hilversumse musici maar af te schaffen. Dit was een paar uur echt levende cultuur temidden van al die gemakkelijke middelmatigheid.”

 

 

Edo de Waart voltooit concertante Ring

In 1988 dirigeerde Edo de Waart twee concertante uitvoeringen van Das Rheingold, de 'Vorabend' van Wagners tetralogie Der Ring des Nibelungen. Een jaar later volgde om allerlei praktische redenen het slotstuk Götterdämmerung. Met uitvoeringen in 1991 van de twee middelste opera's Die Walküre en Siegfried voltooiden De Waart en het RFO hun concertante Ring-cyclus. Ondanks de afwijkende volgorde en de lange tussenpozen was deze voltooiing een monumentale en historische gebeurtenis. Het was voor het eerst dat één Nederlands orkest een complete Ring uitvoerde, met de chef-dirigent als constante factor en solisten van wereldnaam in nagenoeg dezelfde rollen. Het betekende een triomf, niet alleen voor de uitvoerenden, maar ook voor de productieleiders van de Vara-matinee: Jan Zekveld en Mauricio Fernandez. In het publiek werd Pierre Audi gesignaleerd, de artistiek directeur van de Nederlandse Opera, die mogelijk toen al een complete scenische Ring in het Muziektheater overwoog.

 

In de Matinee van 23 februari 1991 klonk Die Walküre in het Amsterdamse Concertgebouw. Onder de solisten bevond zich de 'enige echte' Wotan van dat moment: James Morris. Verder traden aan: Alessandra Marc als Sieglinde, Jeannine Altmeyer als Brünnhilde, Jard van Nes als Fricka, Jan-Hendrik Rootering als Hunding. Ook het Walkürenoctet aan het begin van de derde akte kwam uit de eredivisie met onder meer Deborah Voigt, Janice Taylor, Linda Finnie en Hebe Dijkstra. Een week later, op 2 maart, volgde de opera Siegfried, wederom met Altmeyer als Brünnhilde. Voor de duivels lastige rol van Mime was de tenor Graham Clark aangetrokken. Verder: Reiner Goldberg in de titelrol, Peter Meven als Fafner, Alfred Muff als Der Wanderer en Constance Hauman als Waldvogel. Henk Smit stond – net als in 1988 en 1989 – garant voor een imponerende Alberich.

 

 

Beide uitvoeringen konden rekenen op langdurige ovaties en ruime belangstelling in de dagbladen. Het Utrechts Nieuwsblad noemde het Concertgebouw 'mekka van Wagnerkunst', Het Parool kopte 'De Ring naar lyrische hoogten' en De Telegraaf: 'Bayreuth aan de Van Baerlestraat'. Over het algemeen zwaaiden de recensenten de hoogste lof toe aan de solisten, met name James Morris, Graham Clarke, Alessandra Marc en de 'Hojotoho's' van Jeannine Altmeyer. Ook 'veldheer' De Waart werd uitvoerig geprezen. Zo noteerde Roland de Beer in De Volkskrant: “De orkestpartij – door De Waart met grote diepgang vormgegeven zonder dat de vocalisten werden overspoeld – kreeg een formidabel perspectief in de wisselwerking van strijkers en koper en, niet te vergeten, in allerlei kleinere relaties tussen zangers en orkest die in het theater in de regel verborgen blijven.” Een week voorafgaand aan de directe uitzending op Radio 4 van Die Walküre zond de VARA nog eens Das Rheingold uit 1988 uit en een week na de uitzending van Siegfried volgde Götterdämmerung uit 1989, waardoor de complete Ring – in de door Wagner bedachte volgorde! - in wekelijkse afleveringen te beluisteren was.

 

In de Trouw van 28 februari interviewde Peter van der Lint de sopraan Jeannine Altmeyer, die zich serieus afvroeg of Wagner de Brünnhilde-partijen in de verschillende opera's schreef voor eenzelfde stemtype. Verder was ze verrast door de reactie van het aandachtige, geconcentreerde matinee-publiek: “Zijn ze hier trouwens altijd zo enthousiast in het slotapplaus?” Ook was ze verbaasd dat Edo de Waart geen chef was van een beroemd orkest. Niets ten nadele van het RFO overigens, want daarover meldde ze: “dat is zo bij de les, zo gedisciplineerd en geïnteresseerd. Daar mankeert het elders nogal eens aan. Nee, er hangt hier werkelijk een prima sfeer.”

 

 

Grote onrust over McKinsey-rapport

In 1989 maakte RTL4 als eerste commerciële zender zijn entree op de Nederlandse televisie. De publieke omroep, die op dit gebied decennia lang het monopolie bezat, bevond zich opeens in een concurrerende markt en moest zich gaan herbezinnen op de toekomst van het omroepbestel. Eind 1990 werd daartoe een opdracht verstrekt aan het consultancybedrijf McKinsey om te onderzoeken wat de beste koers zou zijn om de toenemende commercialisering het hoofd te bieden. Dit bureau kwam in zijn rapport “Hoofdelementen voor een meerjarenplan van de Nederlandse publieke omroep” met aanbevelingen voor herstructurering van het NOB. Een van de adviezen was dat er 30 à 40 miljoen gulden zou moeten worden bezuinigd op het Muziekcentrum van het NOB. Het aantal musici zou van 360 moeten worden teruggebracht naar 100, hetgeen zou neerkomen op de opheffing van minstens twee orkesten en/of het Groot Omroepkoor. Voorts zou uit financiële overweging het Muziekcentrum van de Omroep moeten worden overgeheveld naar het nationale podiumbeleid van de Minister van Cultuur en deel uit moeten maken van het landelijk orkestenbestel. Het rapport bracht vanaf de laatste week van 1990 grote onrust teweeg, niet alleen bij de omroepen, maar ook in het culturele veld. Men voorzag op zijn minst een verschraling van het muzikale aanbod en in het ergste geval de ondergang van de omroeporkesten. MCO-directeur Ben Janssen vroeg zijn medewerkers met klem om in de waan van de dag geen voorbarige conclusies te trekken: “Veel is nog onduidelijk. Op dit moment moet ik dan ook volstaan met u te verzekeren dat noch Edo de Waart noch ik aan de hand van de bekende feiten ook maar enige aanleiding zien de gedachtengang van de NOS ten aanzien van de ensembles te volgen of te onderschrijven.”

 

In de NRC van 1 maart, tussen de uitvoeringen van Die Walküre en Siegfried in, keerde artistiek directeur Edo de Waart zich fel tegen de afbraak van de omroeporkesten. Hij pleitte er echter niet voor om alles te laten zoals het is: “In plaats van afbraak pleiten wij voor verbetering. Wij zeggen niet dat alles bij het oude moet blijven. Wat niet goed is mag weg, en als het beter kan, dan doen we dat. Reorganisatie van de muziek bij de omroep is nodig, maar eerst moet er een standpunt zijn over wat er van de omroep verwacht mag worden.” Vooral het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende omroepverenigingen was De Waart een doorn in het oog: “Er zou voor de klassieke zender Radio 4 een eigen eindredactie moeten komen, waardoor een eind gemaakt wordt aan de versnippering en de zender duidelijker een eigen gezicht krijgt.”

 

 

Paul Beugels, beleidsadviseur en voormalig lid van de Raad van Beheer van de NOS, publiceerde in het Open Forum van De Volkskrant van 21 maart een artikel waarin hij betoogt dat er met de edele plannen van McKinsey om de publieke omroep overeind te houden een navrante vorm van kapitaalsvernietiging zou plaatsvinden. De uitgezette koers noemt hij heilloos: “Het Radio Symfonie Orkest en het Radio Kamer Orkest zouden regelrecht op een faillissement afstevenen. Het Groot Omroepkoor, een van de hoogst gekwalificeerde beroepskoren van Europa en onvervangbaar, zou hooguit een bestaan kunnen vinden in de marge van het landelijk orkestenbestel. Het Metropole Orkest – een wat vreemde eend in de bijt – zou als gerenommeerd Broadway-orkest in staat moeten worden geacht een redelijke positie te verwerven op de markt van de lichte muziek. Blijft over het Radio Filharmonisch Orkest dat eigenlijk als enige nog toekomst in de omroep zou hebben.” Met de ondergang van het Muziekcentrum van de Omroep zouden volgens Beugels ook hoogstaande instituten als de Vara-matinee, de KRO-concertserie, de Internationale Dirigenten Meesterklas en het Kirill Kondrashin Concours worden meegesleept. Hij wijst er op dat het Muziekcentrum door zijn unieke samenstelling, omvang en beschikbaarheid in staat is om muziekproducties van uitzonderlijke betekenis en allure uit te voeren die geen enkele orkestinstelling kan bieden, zoals de recente uitvoering van Der Ring des Nibelungen. Landelijke orkesten kunnen naar zijn mening geen redelijk alternatief bieden voor de omroeporkesten. Zij zijn veel meer gebonden aan subsidievoorwaarden, taakstelling, maximale bezetting, speelgebied, verplichtingen met concertzalen, impresario's en sponsors. Concerten voor de radio zouden derhalve het sluitstuk van hun planning worden en geen ruimte laten voor daarop gericht programmabeleid. Beugels bepleit in zijn artikel een tegenplan, waarin het Muziekcentrum als zelfstandig instituut, met een reële kans op een gezond financieel bestaan, een duurzame verbinding aangaat met Radio 4 als concertzender onder een autonome zenderredactie. De minister van Cultuur, Hedy d'Ancona zou volgens hem de eerst aangewezene moeten zijn om zo'n plan te doen opstellen, waarmee de opwellende culturele vernielzucht in de omroep kon worden verijdeld.

 

 

Valeri Gergiev dirigeert Leningradsymfonie

Niet lang na de overweldigende uitvoering van Tsjaikovski's Schoppenvrouw schreef dirigent Valeri Gergiev opnieuw historie in een productie van de Vara-matinee. Op 27 april 1991 voerde hij in de Sjostakovitsj-serie met het RFO de Zevende Symfonie van Dimitri Sjostakovitsj uit. Dit in het oorlogsjaar 1941 gecomponeerde werk droeg de componist op aan zijn door de Nazi's belegerde geboortestad Leningrad. Het verklankt de heftige emoties van de burgers van Leningrad: de dreiging, de angst, het geloof in de kracht van de stad en in de uiteindelijke overwinning. Halverwege het openingsdeel, dat al bijna een half uur duurt, ontstaat vanuit het niets een schijnbaar onbetekenend marsje, dat zich echter langzaam maar zeker ontwikkelt tot één grote verpletterende oorlogsmachine. Op het hoogtepunt van de spanning wordt het toch al stevig bezette orkest versterkt door een extra groep koperblazers, een reden waarom deze symfonie niet vaak wordt uitgevoerd. Voor deze productie werden koperblazers en slagwerkers uit het Radio Symfonie Orkest aan het RFO toegevoegd.

 

“Gergiev ging tot het uiterste, het was of hij het orkest niet meer in bedwang zou houden”, schreef Paul Luttikhuis in de NRC, “maar de terugkeer in rustiger vaarwater verliep even vanzelfsprekend als de opbouw van spanning. In het tweede en vooral in het derde deel werkte Gergiev zorgvuldig aan de klankschoonheid. Zo wist hij, met opvallend kleine gebaren, het orkest tot een sublieme prestatie op te zwepen”. In het Utrechts Nieuwsblad constateerde Rob Overman: “Gergiev dwong zijn orkest tot waarschijnlijk een van de meest indringende interpretaties van de Leningrad Symfonie ooit gehoord.” Frits van der Waa sloot zich hier in De Volkskrant bij aan: “Zonder enig uiterlijke poespas bewoog hij de musici van het RFO tot het leveren van topprestaties, en stuwde de verpletterende muziekstroom van de Zevende, nergens vertroebeld, hoe turbulent ook, nu eens in smalle, dan weer in brede, maar voortdurend voortgaande en grandioos gemodelleerde banen.”

 

Voor de pauze dirigeerde Gergiev een meer ingetogen werk van Sjostakovitsj: de sobere Zes liederen op gedichten van Marina Tsvetajeva, opus 143a, met als soliste de mezzo-sopraan Tamara Sinyavskaya. Een dag later werd het programma herhaald in Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht. Een televisieregistratie van de Amsterdamse uitvoering van de symfonie werd door de VARA uitgezonden op een toepasselijke datum: 4 mei.

 

 

Jarige De Waart triomfeert in Oorlog en Vrede

Het was de afsluiting van de operaserie van de jubilerende Vara-matinee en het openingsconcert van het Holland Festival 1991: de Nederlandse première van Serge Prokofievs meest omvangrijke en minst uitgevoerde opera Oorlog en Vrede. De componist schreef zelf het libretto naar de gelijknamige roman van Leo Tolstoj met maar liefst 72 rollen, door meer dan 30 solozangers te bezetten. De opera ontstond kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Prokofiev (foto) wilde het liefdesdrama centraal stellen, maar de Russische leiders eisten vooral veel vaderlandslievend Sovjet-realisme. Oorspronkelijk dacht de componist aan een splitsing in twee opera's, maar liet zich om Stalin te behagen toch overhalen tot één doorlopend verhaal in dertien scènes. Ondanks enkele forse coupures duurde de uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw vijf uur.

 

Dat de VARA voor deze monsterproductie opnieuw een voortreffelijke solistencast bij elkaar wist te krijgen lag in de lijn der verwachting. De belangrijkste rollen werden bezet door Aage Haugland (Koetoezov), Gegam Gregorian (Bezoechov), en van het Kirov-theater van Leningrad: Vladimir Chernov (Bolkonski), Tatjana Novikova (Natasja) en Valeri Alexeijev (Napoleon). De muzikale leiding was in handen van Edo de Waart, die op deze dag tevens zijn vijftigste verjaardag vierde.

 

De uitvoering maakte een verpletterende indruk op het publiek. De pers reageerde zonder uitzondering juichend, met termen als magistraal, daverend, zinderend, groots en meeslepend. De meeste recensenten vonden dat Prokofiev inderdaad gebaat was bij het couperen van enkele scènes. Van Trouw-journalist Franz Straatman mocht er nog veel meer geschrapt worden, vooral de bombastische heldenmuzieken. Zijn collega Erik Voermans van Het Parool vond daarentegen dat het een misvatting bleek, dat deze opera veel te lang zou zijn en walgelijk patriottistisch. In Luister achtte Paul Korenhof een aantal coupures wellicht noodzakelijk bij een voorstelling in het theater. Maar voor een concertante uitvoering was er naar zijn mening veel te enthousiast in de partituur gesneden, “waardoor onmisbare stukken muziek vervielen, waardoor sommige karakters verkeerd of onderbelicht werden en waardoor bovendien de relatie tot de roman van Tolstoj toch wel erg op losse schroeven kwam te staan.” Eddie Vetter oordeelde genuanceerder in De Telegraaf: “Nu de politieke lading van deze opera uit de nadagen van Stalin (1941-1953), de hele stinkende propaganda, niet meer actueel is, kan men ongestoord luisteren naar de talloze finesses in de muziek. Edo de Waart presenteerde ze messcherp tot in de kleinste details. Hij wist zowaar grote lijnen aan te brengen in het onvermijdelijk verbrokkelde en overladen geheel.”

 

Een kleine smet op de uitvoering was het slot van de opera. De Waart had er voor gekozen om het klokgelui door middel van een bandopname weer te geven. Hans Heg beschreef het in De Volkskrant: “Jammer alleen dat de mechanisch geproduceerde klokken van het jubelende Moskou na het slotakkoord zo merkwaardig werden afgekapt. Foutje van de toch ergens aanwezige regie achter deze bijzondere concertuitvoering?”

 

 

RFO en GOK in Matinee op de Amsterdamse Uitmarkt

Van vrijdag 23 tot zondag 25 augustus 1991 vond de veertiende editie van de Amsterdamse Uitmarkt plaats. De Uitmarkt wisselt jaarlijks van plek en bevond zich nu in het gebied rondom de Stopera. Er werden gedurende het weekend maar liefst 150 voorstellingen gepresenteerd. Ook de Vara-matinee was er op zaterdagmiddag vertegenwoordigd, voor een keer niet in het Concertgebouw, maar op een overdekt podium bij de Blauwbrug. Daar brachten het RFO en GOK onder leiding van dirigent Vassily Sinaiski een Russisch programma ten gehore. Ze begonnen met Moessorgski's Sint Johannesnacht op de kale berg, niet de gebruikelijke 'beschaafde' bewerking van diens vriend Rimsky-Korsakov, maar de veel ruwere oorsponkelijke versie met koor. Daarna klonken de Polowetser Dansen uit Borodins opera Prins Igor. De toegift bestond uit de korte, humoristische Mars uit Liefde voor de drie Sinaasappelen van Prokofiev.

 

 

 

 

 

Een openluchtevenement in Nederland brengt altijd risico's met zich mee. Op zaterdagochtend kwam de regen met bakken uit de hemel. De camerarepetitie moest tweemaal onderbroken worden, omdat muziekinstrumenten nu eenmaal niet tegen vocht kunnen. De organisatoren hielden hun hart vast, maar vanaf het middaguur bleef het gelukkig droog en kon het concert gewoon plaatsvinden. Het vormde zeker een van de artistieke hoogtepunten van de Uitmarkt aldus De Telegraaf. De VARA zond de televisieregistratie op een later tijdstip uit.

 

 

Jean Fournet dirigeert Dukas voor Denon

Op 30 augustus 1991 was het RFO te gast in het Concertgebouw van Haarlem voor de cd-opname van La Péri van Paul Dukas onder leiding van maître Jean Fournet. Dit Poème Dansé en un Tableau was twee dagen eerder al uitgevoerd in Amsterdam in de serie Robeco Zomerconcerten, samen met het Pianoconcert en de Rapsodie Espagnole van Maurice Ravel. Voor de musici van het RFO betekende het een snelle omschakeling, want na de Russische spektakelstukken van de week daarvoor moest het orkest zich nu bewijzen in het verfijnde Franse idioom. Onder de kop 'Jean Fournet dirigeert met koele precisie' constateerde Katja Reichenfeld in de NRC dat er onder zijn leiding briljant en gedisciplineerd werd gemusiceerd: “Fournets bezeten precisie doet nog het meest denken aan Toscanini. Het is een koele manier van musiceren die een brandende uitwerking heeft”.

 

Voor het Japanse label Denon werkten Fournet en het RFO gestaag aan een serie cd's met Frans repertoire. La Péri zou samen met L'apprenti sorcier (reeds opgenomen in september 1990) en de Symfonie in C op één Dukas-schijfje terecht komen, dat in 1993 op de markt gebracht werd (Denon CO-75284).

 

Eerder verscheen al een cd met de Symfonie in Bes van Ernest Chausson en de Suite Pelléas et Mélisande van Gabriel Fauré (CO-73675). Later zouden nog cd's volgen met werken van onder anderen Boieldieu, Pierné, Honegger, Ibert, Debussy en Duruflé.

 

 

 

Een historisch belaste opera onder leiding van “Meester Pennewip”

Ruim een halve eeuw na de eerste uitvoering in München beleefde de opera Friedenstag van Richard Strauss zijn Nederlandse première in Muziekcentrum Vredenburg: op zondag 10 november 1991. Met dank aan Dick van der Meer en zijn productieteam van de KRO concertserie. De omstandigheden waaronder deze opera tot stand kwam zijn op z'n minst bedenkelijk te noemen. Stefan Zweig, de 'vaste librettist' van Richard Strauss, was nog wel de ontwerper van het stuk, maar moest vanwege zijn joodse afkomst vluchten naar Engeland en kon het project niet voltooien. Op zijn aanraden schreef Joseph Gregor een nieuw libretto, gebaseerd op historische gebeurtenissen: het Beleg van Breda en de Vrede van Munster (1648). De pacifistische strekking van het verhaal kwam de Nazi's in 1938 goed van pas en het werk werd bij de première door een Hitlergetrouwe commentator gekenschetst als de “erste Oper, die aus dem Geiste des Nationalsozialismus geboren wurde.” Uit correspondentie tussen Strauss en Zweig blijkt echter dat de componist niet erg ingenomen was met de teksten die Gregor had aangeleverd en dat vond zijn weerslag bij het componeren. Met zijn vakmanschap maakte hij er maar het beste van.

 

Het RFO en GOK stonden in deze uitvoering onder leiding van John Crosby, directeur van de Santa Fe Opera. De kolossale sopraanpartij van Maria (het enige personage dat in de opera bij de naam genoemd wordt) was toebedeeld aan diva Alessandra Marc, die dezelfde rol twee jaar eerder bij de New Yorkse première zong. De commandant werd vertolkt door bariton Max Wittges en kleinere rollen werden bezet door onder anderen Lieuwe Visser, Math Dirks, Aleksander Naumenko en George Gray.

 

De uitvoering werd met luid gejubel ontvangen. De pers betoonde zich echter kritischer. Eddie Vetter oordeelde in De Telegraaf dat Friedenstag niet bepaald Strauss op zijn best is: “Vakmanschap heerst van de eerste tot de laatste maat, maar de geïnspireerde momenten zijn te tellen op de vingers van één hand.” Naar de smaak van recensent Rob Overman van het Utrechts Nieuwsblad daarentegen, deed de kwaliteit van de muziek absoluut niet onder voor Salome of Elektra. Hij vond het alleen jammer dat de KRO in John Crosby een saaie dirigent had ingehuurd: “Een boekhouder die de cijfers keurig onder elkaar heeft staan, de balans klopt. Maar een uitstraling van nul komma nul”. Deze mening werd gedeeld door Oswin Schneeweisz, die de dirigent in het Algemeen Dagblad met Meester Pennewip vergeleek, die braaf de maat tikt: “Een interpretatie was teveel gevraagd.” Ook Volkskrant-recensent Hans Heg sloot zich hier bij aan: “Of John Crosby de juiste man is om Friedenstag met gezag over de drempel van een belaste historie te tillen valt ernstig te betwijfelen. Het Radio Filharmonisch Orkest bleef steken in een grauw gemiddelde. De klankbalans tussen koor en orkest was vooral in de eerste scènes volledig zoek.” Maar vooral de musici van het RFO waren uiterst teleurgesteld in de samenwerking met deze dirigent en drongen er achter de schermen op aan dat deze man nooit meer terug gevraagd zou worden. Met succes.

 

Verder naar 1992    Terug naar het overzicht