Paul van Kempen 1949-1955

 

Paul van Kempen (1893-1955) begon in 1913 als violist in het Concertgebouworkest van Willem Mengelberg, maar vertrok na 3 jaar naar Duitsland. In 1920 werd hij concertmeester in het orkest van Dortmund. Dirigent worden was echter zijn ambitie. Omdat dit in Nederland niet lukte, accepteerde hij in 1932 het aanbod om dirigent te worden in Oberhausen, hetgeen tevens inhield, dat hij de Duitse nationaliteit zou aannemen. Grote bekendheid bereikte Van Kempen in Dresden, waar hij van 1934 tot ’42 de Dresdner Philharmoniker leidde en vele grammofoonopnames maakte. Als opvolger van Herbert von Karajan dirigeerde hij nog twee jaar in Aken, totdat door het oorlogsgeweld de muziekpraktijk geheel tot stilstand kwam.

 

De aanstelling van Paul van Kempen in november 1949 in Hilversum als chef-dirigent van het Radio Philharmonisch Orkest was door zijn langdurig verblijf in Duitsland omstreden. Een onderzoekscommissie, waarvan ook orkestleden deel uitmaakten, stelde vast dat - afgezien van de wisseling van nationaliteit - er geen feiten boven tafel gekomen waren die een benoeming in de weg zouden staan. Van Kempen werd als musicus gerespecteerd. Hij had een groot aandeel in de verdere groei van het orkest, verbreedde het repertoire en zorgde voor verbetering van het instrumentarium. Als mens was hij niet geliefd, hij werd zelfs gevreesd; gevoel voor humor bezat hij niet. Van Kempen was een autoritaire dirigent in de stijl van Toscanini en Mengelberg en kon tegen individuele musici kwetsend zijn. Desgevraagd bekende hij later, hen daarmee scherp te willen houden. Hij had meer oog voor het collectief, dat hij trainde in professionaliteit, discipline en nauwkeurigheid. Genialiteit ontstaat door vlijt, zei hij Max Reger na. Daartegenover stonden de vele extra vrije zaterdagmiddagen, die Van Kempen zijn orkest gunde. Bij de verontruste directie verantwoordde hij dit aldus: Mijn musici moeten aan sport kunnen doen, om hun conditie op peil te houden. Op maandag was hij dan weer ongenaakbaar.

 

Dirigentencursus

In navolging van de cursus die Van Kempen in Siena had opgericht en die nog steeds bestaat, introduceerde hij in 1953 ook in Hilversum een Internationale Dirigentencursus. Jarenlang heeft aankomend talent hiervan kunnen profiteren, zoals Gerd Albrecht (o.a. chef van de Tsjechische Philharmonie en gast bij KCO en RFO), Eliahu Inbal (o.a. RSO Frankfurt, Japan, gast bij KCO en RFO), Paavo Järvi (o.a chef van RSO Frankfurt en Orchestre de Paris), Hans Graf (o.a. chef in Bordeaux en Houston en gast bij RFO), David Robertson (opvolger van Hans Vonk in St. Louis, gast bij KCO en RFO) en Nederlanders als Bernard Haitink, Hans Vonk, Edo de Waart, Hubert Soudant en Lucas Vis. In 2000 werd de cursus, die inmiddels Kyrill Kondrashin Meesterklas heette en viermaal werd afgewisseld door een concours, voor het laatst gegeven.

 

Geheim

Dankzij Van Kempens platencontract kon het Radio Phil in het 78-toeren-tijdperk met hem voor Philips Duitse en Italiaanse opera-aria’s, -koren en -ouvertures opnemen, die later ook op langspeelplaten werden uitgebracht. Hoogtepunten waren opnamen voor Telefunken van de Symfonie nr. 7 van Jean Sibelius en de Symfonie nr. 4 van Anton Bruckner. In een fraaie doos bijeengebracht leverden ze een vroeg bewijs van de kwaliteit van het orkest. Langzamerhand werden er ook buiten de studio concerten gegeven. In de zomers van 1952 t/m ’55 werd met Van Kempen opgetreden in Den Haag tijdens het Holland Festival. Het orkest won daardoor aan kwaliteit en werd door recensenten al in één adem genoemd met het Concertgebouworkest. Voor het grote publiek bleef de kwaliteit van het Radio Philharmonisch echter lang ‘het best bewaarde geheim van Hilversum’. Van Kempen dirigeerde zijn orkest in 357 producties.

 

Het voortbestaan van het Radio Phil kwam na Van Kempens overlijden in december 1955 opnieuw in gevaar. De Telegraaf publiceerde twee artikelen, waarin de crisis van ‘ons grootste radio-orkest, dat miljoenen kost’ uiteengezet werd. Het bleek voor de omroep een groot probleem te zijn een dirigent van formaat te vinden, die bereid was voornamelijk te moeten werken in de anonimiteit. Studioproducties van NRU-orkesten werden door muziekcritici nauwelijks waargenomen en niet gerecenseerd. De oplossing om uit de crisis te komen baarde opzien: uit de hoed kwam geen dirigent van formaat, maar een onbekende.