Edo de Waart 1989-2004

 

Edo de Waart, geboren in 1941, studeerde hobo bij Haakon Stotijn en Cees van der Kraan aan het Sweelinck Conservatorium en werd in 1963 hoboïst bij het Concertgebouworkest. In 1964 nam hij deel aan de NRU-dirigentencursus bij Franco Ferrara en won in New York het Dimitri Mitropoulos Concours. Hij werkte een jaar als assistent van Leonard Bernstein en werd na zijn terugkeer in Nederland assistent van Bernard Haitink. Vanaf 1967 leidde hij het Nederlands Blazers Ensemble en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

 

Zijn debuut bij het RFO maakte De Waart op 8 december 1969 in Trier als invaller voor de ziek geworden Francis Travis. Op de dag van het concert had hij een uur de tijd om te repeteren. Het resultaat leverde hem veel goodwill op. Tussen 1971 en ’73 gaf De Waart met het RFO een vijftal concerten en leidde bij de Nederlandse Opera Stichting producties van Fidelio en Schönbergs Erwartung in combinatie met Hertog Blauwbaards Burcht van Bartók. In 1975 vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij van 1977 tot ’85 het San Francisco Symphony Orchestra leidde. Uit deze periode stamt ook zijn vriendschap met de componist John Adams. Twee korte gastoptredens met het RFO in de Matinee te Amsterdam vonden plaats in 1982 met een uitvoering van de opera Boris Godounov en in 1983 met het oratorium L’Enfance du Christ van Berlioz.

 

Artistiek directeur

Direct nadat vaststond dat Comissiona’s contract als chef-dirigent niet verlengd zou worden, werd op alle niveaus nagedacht over een opvolger. In het diepste geheim nam drs. Edu Verhulst, chef Muziek NOS-radio, in juni 1987 telefonisch contact op met Edo de Waart, die in Santa Fé verbleef. Verhulst had ideeën over de komst van een chef-dirigent, die als artistiek boegbeeld in samenwerking met Radio 4 de leiding zou krijgen over de omroepensembles. Na het plotselinge overlijden van Verhulst werden de besprekingen voortgezet door Jan Zekveld, programmeur van de VARA-matinee. De Waart stelde als voorwaarde, dat er eerst ingrijpende verbeteringen dienden te komen in de bestuursconstructie van de omroepensembles en hun relatie tot de omroep. Inmiddels was er binnen de Werkgroep Muziek een lobby op gang gekomen voor een andere chef-dirigent. Voor de meer avant-gardistisch ingestelde programmeurs van NOS en VARA was deze kandidaat echter geen optie. Zekveld lichtte vertrouwelijk de orkestcommissie van het RFO in, die vervolgens schriftelijk aan de Werkgroep Muziek en telefonisch bij het Ministerie van WVC haar voorkeur voor De Waart toelichtte. De rest is geschiedenis. Ook organisatorisch kwam er verandering. Met de steun van Albert van den Heuvel, VARA-voorzitter en lid van de Raad van Beheer NOS, kwam in 1988 het Muziekcentrum van de Omroep (MCO) van de grond. Ben Janssen werd Algemeen directeur en Edo de Waart Artistiek directeur.

 

Nieuwe impulsen

De terugkeer van Edo de Waart naar Nederland is vooral voor het RFO van grote invloed geweest. Het was een belangrijk politiek signaal naar Den Haag, want de omroeporkesten stonden ter discussie. Muzikaal gezien werkte zijn komst na magere jaren voor het RFO als een stimulans. Met concertante uitvoeringen in 1988 van Das Rheingold in Amsterdam en Utrecht gaf De Waart het startschot voor een indrukwekkende reeks opera-uitvoeringen in de Matinee en op andere podia. Zijn benoeming tot chef-dirigent van het RFO per 1 september 1989 gaf het orkest nieuwe impulsen, om aansluiting te houden met het Concertgebouworkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest, maar hield tevens een reeks wijzigingen in. Hij annuleerde een reeds geplande tournee van het RFO door Duitsland en begon aan een heroriëntatie op de orkestklank in verband met zijn voorkeur voor het Duitse laatromantische repertoire. Ook voerde hij enkele mutaties door op het personele vlak. Zijn functie als chef-dirigent vervulde hij uiterst consciëntieus.

 

Trots

In de Matinee dirigeerde De Waart werken van John Adams en de opera’s Die glückliche Hand van Schönberg (1990), Oorlog en vrede (1991) van Prokofiev, Die Gezeichneten (1990) en Der Schatzgräber (1992) van Schreker, Wagners Ring (1989-’91), Parsifal (1992) en Lohengrin (1993), van Berlioz Les Troyens (1993), van Chausson Le Roi Arthus (1994), van Korngold Das Wunder der Heliane (1995) en de toppers van Strauss: Die Frau ohne Schatten (1990), Arabella (1996), Der Rosenkavalier (2001), Daphne (2002) en Die Liebe der Danae (2002). Na een reeks uitvoeringen van alle Mahler-symfonieën door Edo de Waart en het RFO kon in 1995 met trots een box met 14 cd’s worden gepresenteerd.

 

Het RFO en De Waart toerden in 1992, 1996 en 2001 door Duitsland en Oostenrijk, en traden in 1994 op bij de eerste Triennale Köln met o.m. het Concert voor orkest van Bartók. Met het Tanztheater Wuppertal van Pina Bausch werden in 1995 in Theater Carré te Amsterdam voorstellingen gegeven van het ballet Frühlingsopfer op muziek van Stravinsky’s Sacre. De samenwerking met de Nederlandse Opera werd in 1994 hervat met Salome. Daarna volgden met het duo De Waart-RFO in de Stopera nog vele prachtige producties: Werther (1996), Jenufa (1997), Carmen (1999), Kat’a Kabanova (2000), Boris Godounov (2001), De zaak Makropoulos (2002) en Der Rosenkavalier (2004).

 

BMG Music presenteerde in 1997 op het label RCA een unieke cd-box met de drie symfonische samenvattingen, die RFO-slagwerker Henk de Vlieger op verzoek van Edo de Waart voor het orkest gemaakt had: The Ring – an orchestral adventure, Parsifal – an orchestral quest en Tristan und Isolde – an orchestral passion. De vormgeving van deze box, waaraan een boekje van publicist Martin van Amerongen was toegevoegd, was verzorgd door fotograaf Erwin Olaf. Op het label Octavia Records verscheen in 2003 een sacd-box met de titel: Rachmaninov, complete symphonies & orchestral works.

 

Grootmoedig

Edo de Waart zag zichzelf vooral als orkesttrainer, structuurbouwer. Het proces van begin tot eind stond bij hem voorop. In een interview met Desirée van Vliet en Huub Beckers, gepubliceerd in RFO-Informeel, liet hij zich ontvallen: Ik weet dat jullie de topconcerten waarschijnlijk met een gastdirigent spelen. Dat deert mij niet. Ik leg de basis. Als jullie met Rozhdestvensky iets geniaals doen, dan … nou je weet hoe dat gaat: geen repetities, en hij vertrouwt op jullie ervaring om ter plekke iets tot stand te brengen. Hij de lauweren hoor, geen punt. Ik doe het niet voor de eer. Door deze grootmoedige houding waren topdirigenten altijd welkom bij zijn orkest. Edo de Waart nam op 5 december 2004 officieel afscheid als chef-dirigent van het RFO, dat zich dankzij hem definitief gerangschikt had onder de drie beste orkesten van Nederland. Bij die gelegenheid maakte Valery Gergiev – die gedurende de gehele periode-De Waart regelmatig te gast was – het volgende statement: Edo de Waart is surely one of the best orchestral builders in the world. The RFO is probably his masterpiece so far. Het orkest verleende De Waart de titel Eredirigent. In zijn dankwoord zei hij: Ik heb hier de beste tijd van mijn leven gehad, dit is een orkest waar mensen lief met elkaar omgaan, zonder kinnesinne.

 

Eredirigent

Om de periode tot de komst van zijn opvolger te overbruggen, bleef De Waart daarna nog vijf maanden bij zijn orkest actief. Hij dirigeerde in de Matinee de Nederlandse première van de opera Die Bakchantinnen van Egon Wellesz, in Utrecht, Rotterdam en Amsterdam o.m. de Suite uit de Vuurvogel van Stravinsky en Also sprach Zarathustra van Richard Strauss. Voor het label Octavia Exton werd een Strauss-cd gemaakt. Concerten volgden in Hannover en Wenen. Op 21 mei 2005 werd deze reeks beëindigd met de Nederlandse première van de opera Flammen van Erwin Schulhoff in een concertante uitvoering in Amsterdam tijdens de Matinee-serie Entartete Musik. Als Eredirigent keerde De Waart terug in 2006 met La fanciulla del West van Puccini, in 2009 met o.m. de Nederlandse première van Chaconne van Franz Schmidt en in 2011 met Das Gehege van Wolfgang Rihm in combinatie met de opera Salome. De wereldpremière in 2013 van de Symfonie nr. 1 voor mezzosopraan en orkest van de Nederlander Willem Jeths in de ZaterdagMatinee werd zijn 398e productie met het RFO.