Albert van Raalte 1945-1949

 

Albert van Raalte (1890-1952) genoot zijn muzikale opleiding in Keulen, waar hij op voorspraak van Arthur Nikisch in 1906 toegelaten was tot het Conservatorium. Zijn leraar Frits Steinbach, dirigent van het Gürzenich Orchester Köln, gaf hem tevens de mogelijkheid als leerling-altviolist orkestervaring op te doen in zijn orkest. Als assistent van Nikisch leerde Van Raalte in 1910 om te gaan met uiteenlopende orkesten uit Europese hoofdsteden. Hij werd in 1915 dirigent van de Nederlandsche Opera te Den Haag, een gastoptreden in Parijs leverde hem concerten op met het Orchestre Lamoureux. Bij de Berliner Philharmoniker dirigeerde hij in 1923 twee concerten ter ere van de overleden, legendarische Arthur Nikisch, en vanaf 1927 was Van Raalte regelmatig te gast bij orkesten in Schotland en Engeland. Hij combineerde dit met zijn werk bij de pas beginnende omroep in Nederland, waar hij per 1 januari 1928 dirigent werd van het AVRO Omroeporkest. Dit ensemble van ca. 30 musici groeide uit tot 48 personen plus incidentele versterking. Daarnaast zag Van Raalte nog kans als gastdirigent op te treden in talrijke Europese steden. Zijn carrière werd in de periode 1940 -’45 onderbroken vanwege zijn Joodse afkomst, zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw behoedde hem echter voor deportatie naar de kampen. In het seizoen 1941-1942 leidde hij in Amsterdam het uit ontslagen musici samengestelde Joodsch Symphonie Orkest, dat nog een jaar in de Joodsche (voorheen Hollandsche) Schouwburg mocht optreden voor een uitsluitend Joods publiek met werken van Joodse componisten.

 

Op 21 mei 1945, twee weken na de bevrijding, ontving Albert van Raalte opdracht voor de omroep een nieuw orkest samen te stellen, dat aan de hoogste eisen zou kunnen voldoen. Hij selecteerde uit de ensembles van de Nederlandsche Omroep 33 musici uit het Symphonie Orkest, 12 uit het Opera Orkest en voegde daar 14 Joodse collega’s bij, die al voor 1940 bij de omroep gewerkt hadden en onder uiteenlopende omstandigheden de oorlog hadden overleefd. Voor de nog resterende vacatures werden audities gehouden. Het orkest, bestaande uit 85 mannen en 8 vrouwen, kreeg de naam Radio Philharmonisch Orkest (met Ph) en kwam op 26 juni 1945 voor het eerst bijeen. De repetitie begon met het Wilhelmus, een emotioneel moment, waaruit zich een sterk saamhorigheidsgevoel ontwikkelde, dat sindsdien bij het orkest behouden bleef. Van Raalte benutte de schorsingsperiode, die een deel van zijn musici opgelegd had gekregen, om zijn ‘fusieorkest’ met een langdurige intensieve repetitieperiode ook muzikaal tot een eenheid te smeden.

 

In de AVRO Radio Bode van 13 juli 1945 schreef Van Raalte: Mij is een schare van voortreffelijke musici ter beschikking gesteld, waaruit ik een prachtig orkest heb kunnen samenstellen, hetwelk reeds sedert eenige weken elken dag onder mijn leiding repeteert, om aanstonds, als de microfoon in ons bevrijde Vaderland wederom het draadlooze contact zal hebben met de luidsprekers der trouwe luistervinken, ook het contact te herstellen tusschen U en mij door middel van de mysterieuze taal der muziek.

 

Op 7 oktober 1945 werd vanuit AVRO studio 9 het eerste programma van het Radio Philharmonisch Orkest uitgezonden door de zender ‘Herrijzend Nederland’, een voorloper van de door de regering beoogde Nationale Omroep. Nog voor het einde van het jaar werden ook andere omroepensembles opgericht: het Omroeporkest (symfonie en opera), Omroep (later: Radio) Kamerorkest, Vaudeville Orkest (licht-klassiek en operette, later: Promenade Orkest), Metropole Orkest en het Groot Omroepkoor.

 

Vader van het orkest

Collega’s, die de oprichting van het Radio Philharmonisch in 1945 meegemaakt hadden, spraken vijftig jaar later met het Historisch Genootschap RFO over hun ervaringen. Met grote waardering beschreven zij Albert (uitgesproken als Albèrt) van Raalte als een gevoelig mens met een groot gevoel voor humor en als een sociaal bewogen man, die zeer begaan was met het wel en wee van zijn musici. Het leverde hem het predicaat ‘vader van het orkest’ op. Hij streefde er in de eerste plaats naar, de sfeer achter de noten over te brengen. Zichtbaar aangedaan was hij bijvoorbeeld door Clara Haskils vertolking van het Pianoconcert nr. 4 van Beethoven. Bij de Kindertotenlieder, gezongen door Kathleen Ferrier, liepen hem tranen over zijn wangen. Van Raaltes muzikale voorkeur lag bij het klassieke en romantische repertoire. Dit weerhield hem niet in 1947 de eerste uitvoering in Nederland te brengen van het nog nauwelijks bekende Concert voor Orkest van Béla Bartók. Het eerste buitenconcert van het Radio Phil met Van Raalte op 1 maart 1946 in het Amsterdamse Concertgebouw was een uitzondering op de regel, dat omroeporkesten binnen de studiomuren dienden te blijven. Hun optreden daarbuiten werd door landelijke orkesten tegengewerkt en gezien als ongewenste concurrentie. Het waren de jaren van directe uitzendingen vanuit Hilversum en opnamesessies in de studio. Attentie! ... opname over vijf tellen … na nu!, dit commando klonk meerdere malen per week en tot de zestiger jaren was dit het normale werkpatroon.

 

Albert van Raalte trad in 1949 om gezondheidsredenen terug als chef-dirigent, maar bleef voor gastdirecties nog beschikbaar. Zo dirigeerde hij in 1950 nog de eerste concertante operaproducties: Glucks Orfeo ed Euridice en Carmen van Bizet. Van deze laatste productie werd de eerste langspeelplaat van het Radio Phil geperst. Tussen 1945 en ’50 leidde Van Raalte het orkest in 568 programma’s, een aantal, dat door zijn opvolgers niet meer werd overtroffen. Dit zegt veel over het straffe werkschema uit de begintijd van het RFO met de 6-daagse werkweek. Tot in de jaren '60 was een chef-dirigent vrijwel constant aanwezig.